De wandelaar
- Mijn eenzaam leven wandelt in de straten,
- Langs een landschap of tussen kamerwanden.
- Er stroomt geen bloed meer door mijn dode handen,
- Stil heeft mijn hart de daden sterven laten.
-
- Kloosterling uit den tijd der Carolingen,
- Zit ik met ernstig Vlaamsch gelaat voor 't raam;
- Zie menschen op een zonnig grasveld gaan,
- En hoor matrozen langs de kaden zingen.
-
- Kunstenaar uit den tijd der Renaissance,
- Teken ik 's nachts de glimlach van een vrouw,
- Of buig me over een spiegel en beschouw
- Van de eigen ogen het ontzaglijk glanzen.
-
- Een dichter uit den tijd van Baudelaire,
- Daags tusschen boeken, 's nachts in een café
- Vloek ik mijn liefde en dans als Salome.
- De wereld heeft haar weelde en haar misère.
-
- Toeschouwer ben ik uit een hoge toren,
- Een ruimte scheidt mij van de wereld af,
- Die 'k kleiner zie en als van heel ver-af
- En die ik niet aanraken kan en horen.
-
- Toen zich mijn handen tot geen daad meer hieven
- Zagen mijn ogen kalm de dingen aan:
- Een stoet van beelden zag ik langs mij gaan,
- Stil mozaïekspel zonder perspectieven.
Uit: De wandelaar, 1916.
- --oOo-- -