Het Schip
- De schipper:
- Het water van de gracht is grijs
- Als de ogen van de schemering—
- Ik neurie steeds op eend're wijs:
- Lieveling, lieveling—
-
- De schippersmaat:
- Ik die de witte zeilen hijs
- Zit op het grote roer en zing—
- Het leven is een vreemde reis,
- Ons hart een donker ding—
-
- De schippersvrouw:
- Ik weet dat ik niet veilig reis
- Als niet de witte vreemdeling
- Voor de boot uit naar 't paradijs
- Over het water ging—
- --oOo-- -