Satyr en Christofoor
- ‘Ach, Christofoor, vertrouwder
- In 't water dan op 't land,
- Til het kindje van je schouder,
- Geef zijn handje me in de hand;
- Ik wijs het in de bosschen
- De bronnen en de mossen,
- De vogels en de vossen,
- De slang, den haas en 't hert—’
-
- Maar Christofoor, op den oever,
- Leunt zwijgende op zijn kruk,
- De stroom was stroef, maar stroever
- Zijn de tranen van geluk:
- Nooit was een bedding weeker,
- Nooit waadde hij zoo onzeker,
- Want nooit nog, nooit nog streek er
- Een handje hem door het haar—
-
- De satyr nadert ijlings
- Door het ritselende riet,
- Hij ziet het kind dat schrijlings
- Op den reus naar hem omziet—
- Hij die langs alle wegen
- Zijn lusten had verkregen,
- Biedt nu, schuw en verlegen,
- Een hand-vol bessen aan—
-
- 't Kind heeft zijn hand genomen,
- En 't houdt wat het eenmaal houdt,
- De satyr kan niet ontkomen,
- Hij danst nooit weer in het woud—
- Zoo sterk werd zijn hand gegrepen
- Dat het sap der stukgeknepen
- Vruchten in roode streepen
- Neerdrupt van pols naar poot—
-
- O Christofoor, o satyr,
- Uw woede en vlucht zijn getemd,
- Men vindt op land of op water
- Een klein geluk dat klemt:
- Voor Christofoor ondoorwaadbaar,
- Voor den satyr ongenaakbaar,
- Voor mij, ach, onaanraakbaar
- Wegzingend door mijn lied—
Uit: Vormen, 1924.
- --oOo-- -