Florentijns jongensportret
- Olijf-ovaal, met van de olijf ook mee de
- steenharde koelte, zijn gelaat; zijn ogen,
- de twee juwelen, in hun dunne bogen
- ver uit elkander glanzend losgesneden.
-
- Zijn haar, aanhoudend als door wind bewogen,
- vertrouwt zijn oor iets toe, iets waar beneden
- zijn mond, zijn meisjesmond, om lacht; geen tweede
- dauw heeft ooit druiven als zijn kin betogen.
-
- Voor ú buigt de rivier zich door de stad;
- voor ú, in wijn en brood, stremt de natuur
- haar zware stroom; en 't is alleen opdat
-
- gij zorgloos zingt, een hand in uw ceintuur,
- dat de ezel zwoegt langs 't ongebaande pad
- en de oude vrouw hurkt bij het houtskoolvuur.
- --oOo-- -