Pierrot
- 'k Ontmoette 's nachts een vrouw bij een lantaren,
- Geverfd, als heidenen hun doden verven—
- Ik zei tot haar: “Vrouw ik ben moe van zwerven.”
- Zij lachte om mijn wit pak en mijn gebaren.
-
- En ik zei weer: “Laten wij samen sterven,
- Vrouw, mijn naam is Pierrot—” Ik vroeg de hare.
- Wij dansten samen of we dronken waren.
- En mijn stuk hart rammelde van de scherven.
-
- Dit was een dans op de uiterste rand
- Der steilten van verbijstring. Als een brand
- Joeg waanzin door mijn lijf heen, dat ging breken—
-
- Als wie een moord deed, heb ik omgekeken
- En zag me alleen staan in de vale straat,
- En vluchtte weg en sloeg me voor 't gelaat.
Uit: De wandelaar, 1916.
- --oOo-- -