Morgengebed
Sapphische strophen
- Zon, die met uw stralende wagen opwaarts
- Rijdt de steile daag'lijksche baan, uw rondas
- Blinkt van blindend licht, in de handen houdt ge
- Purperen teugels;
-
- Heden ziet ge weer de geheele wereld:
- Landen, zeeën, steden en menschen, die zich
- Warme' in uw omarmende stralen, wijl ge
- Glimlachend neerblikt;
-
- Ziet gij heden haar, die ik zoo beminde,
- —Zij is onder schoonsten door schoonheid kenbaar—
- Wijt haar dan dat zij, schoon ze trouw beloofde,
- Mij heeft verlaten;
-
- Dìt nog, Zon, voor gij uwen baan gaat rijden:
- Als gij tot haar spreekt—o ! verhoor mijn bede!—
- Spreek dan niet tot haar met uw slaande stralen,
- Maar met uw kussen!
- --oOo-- -