Het stenen kindje
- Buiten de herberg waar we bleven
- In 't oude stadje aan de Rijn
- Begon des nachts muziek te beven
- Wij zetten ons, achter 't gordijn,
- Met kandelaars op het kozijn;
- Reizende muzikanten waren
- Aan 't spelen op 't besneeuwde plein,
- En bij hen stond een kind te staren-
-
- Maar toen ik nader acht ging geven
- was het de stenen cherubijn
- Die zich, als smeltend losgeheven
- Had vrij gemaakt van de fontein
- De fluit hief in 't maanlicht zijn
- Roep tussen de rits'lende gitaren
- En zwol terug in het refrein-
- Het kind begon me aan te staren
-
- Toen kwam het naar mijn venster zweven:
- Ik voelde hoe zijn naakt en klein
- Lichaam dicht aan mijn borst gedreven
- Sidderde van ontspannen pijn-
- Er trilde langs mijn wang een rein
- Koud kindermondje, en in mijn haren
- Woelde zijn handje – O moeder mijn,
- Smeekte 't, en bleef mistroostig staren-
-
- O zoontje in mij, o woord ongeschreven,
- O vleesloze, o kon ik u baren—
- De nood van ongeboren leven
- Wreekt gij dit met dit verwijtend staren.
Uit: Verzamelde werk I, 1954.
- --oOo-- -