De jongen
- Hij zat in nachtgoed voor het raam en liet
- Willoos het hoofd hangen op het kozijn—
- Hij zag den landweg langs de heuvels zijn
- Kronkel wegtrekken naar het blauw verschiet.
-
- Hij dacht weer aan den ouden vreemdeling
- Die 's middags in het herbergtuintje sliep—
- Zij stoeiden om hem heen, en iemand riep
- Hem wakker, en hij zat dwaas in hun kring.
-
- Zijn verre blik zwierf langs hun oogen weg,
- Hij zei:—(zijn baard was om den glimlach grijs)
- ‘Jongens, het leven is een vreemde reis,
- Maar wellicht leert een mensch wat onderweg.’
-
- Toen was het of een deur hem open woei
- En hij de verten van een landschap zag,
- Hij zag zichzelf daar wand'len in een dag
- Zwellend van zomer en van groenen groei.
-
- De weg buigt om en men keert nooit terug—
- Hij kon zijn hart als voor 't eerst hooren slaan,
- Hij heeft zijn schoenen zacht weer aangedaan
- En sloop door 't tuinhek naar de kleine brug.
Uit: Vormen, 1924.
- --oOo-- -