Ineengebroken IV
- Alleen God weet waarom ik bij je kwam,
- Ik wist slechts dat ik niet kwam om te rusten,
- Dat je mijn hart ziek en rumoerig kuste,
- Dat onze nacht brandde als een zwarte vlam.
-
- Wij, die boven de stad te dansen dorsten
- Het licht langs, dat van niets naar niets steeds stijgt,
- Vielen terug in 't donker onzer borsten,
- Waar voortaan één hart, schaduw-zalig, zwijgt.
-
- Zoo lagen we in den laatsten dageraad,
- Hand in hand, glimlachend tegen de zon
- Die door 't raam inkeek als een groot gelaat—
-
- En 'k voelde tranen in mijn ogen springen
- En hoorde mij, toen 't carillon begon,
- Met vreemde stem een kinder-liedje zingen.
Uit: De wandelaar, sinds de 2e druk, 1926.
- --oOo-- -