Holland
- Boven mijn hoofd hebt gij uw lucht gebreid
- Een hemel, rijk van zon en wijd van wind—
- Terwijl ik juichend door de ruimten schrijd,
- Of aan uw borst lig als een drinkend kind.
-
- Rood van verlangen, bonzende van vragen,
- Ging weer een stuwem door mijn mijn bloed, als breede
- Dorpen aan uwe glanzende einders lagen,
- En slooten weiden in figuren sneden.
-
- Het avondlicht zinkt door de vensters binnen.
- De bruine meubels denken aan elkaar,
- Een stervend woord wil overal beginnen—
- 't Eenvoudig leven Gods is diep en klaar:
- Een man in blauwen kiel en een vrouw in een
- Geruiten rok en witten boezelaar.
Uit: Lees maar, er staat niet wat er staat, 1961.
- --oOo-- -