Het lied der dwaze bijen
- Een geur van hooger honing
- verbitterde de bloemen,
- een geur van hooger honing
- verdreef ons uit de woning.
-
- Die geur en een zacht zoemen
- in het azuur bevrozen,
- die geur en een zacht zoemen,
- een steeds herhaald niet-noemen,
-
- ried ons, ach roekeloozen,
- de tuinen op te geven,
- riep ons, ach roekeloozen
- naar raadselige rozen.
-
- Ver van ons volk en leven
- zijn wij naar avonturen
- ver van ons volk en leven
- jubelend voortgedreven.
-
- Niemand kan van nature
- zijn hartstocht onderbreken,
- niemand kan van nature
- in lijve den dood verduren.
-
- Steeds heviger bezweken,
- steeds helderder doorschenen,
- steeds heviger bezweken
- naar het ontwijkend teeken,
-
- stegen wij en verdwenen,
- ontvoerd, ontlijfd, ontzworven,
- stegen wij en verdwenen
- als glinsteringen henen.—
-
- Het sneeuwt, wij zijn gestorven,
- wij dwarrelen naar beneden.
- Het sneeuwt, wij zijn gestorven,
- het sneeuwt tusschen de korven.
- --oOo-- -