Awater
‘ik zoek een reisgenoot’

- Ik heb een man gezien. Hij heeft geen naam.
- Geef hem ons aller vóórnaam bij elkaar.
- Hij is de zoon van een vrouw en een vader.
- Zodra de rode zon is opgegaan
- gaat hij de stad in. Hij komt langs mijn raam.
- De avond blauwt, hij komt er weer vandaan.
- Hij werkt op een kantoor, heet daar Awater.
- Zie hem. Hij is bekleed met kemelhaar
- geregen door een naald. Zijn lijf is mager
- gespijsd met wilde honing en sprinkhanen.
- Niemand heeft ooit hetgeen hij roept verstaan.
- Het is woestijn waar hij gebaren maakt.
- Hij heeft iets van een monnik, een soldaat,
- maar er wordt niet gebeden, niet geblazen,
- wanneer men op kantoor het boek opslaat.
- Men zit als in een tempel aan een tafel.
- Men schrijft Arabisch schrift met Italiaans.
- In cijfers, dwarrelend als as omlaag,
- rijzen kolommen van orakeltaal.
- Het wordt stil, het wordt warmer in de zaal.
- Steeds zilter waait dun ratelend metaal.
- De schrijfmachine mijmert gekkepraat.
- Lees maar, er staat niet wat er staat. Er staat:
- “o moeder, zult gij ooit een bontjas dragen?
- gaan nu de rozen naar het hospitaal?”
- Awater is clean-shaven van gelaat.
- Hoe laat is het? Awater's hoofd voelt zwaar.
- De telefoon slaapt op de lessenaar.
- De theekopjes worden teruggehaald.
- De klok tikt, tikt, slaat, tikt tot half-zes slaat.
- De groene lampen worden uitgedraaid.
- Vandaag, toen ik voor 't raam de bloemen goot,
- is het voornemen in mij opgekomen
- Awater te gaan halen van kantoor.
- Ik heb sinds mijn broer stierf geen reisgenoot.
- Als men een vriend zoekt, is het doodgewoon
- dat men eerst ziet of men bij hem kan horen.
- Vanavond volg ik dus Awater's spoor,
- ik kijk de kat, zo men zegt, uit de boom,
- en morgen, gaat het goed, stel ik mij voor.
- Zo sta ik bij de hoge stoep. Ik schroom.
- Het slaat half-zes. De tijd wordt eindeloos.
- De straat wordt door voorbijgangers doorstroomd.
- In elke schaduw wordt een licht ontstoken,
- makend, al dwalend, omtrekken in rook.
- O broeder in den hemel, wees hier ook.
- Bescherm mij, dat mijn schim geen licht vertoont.
- Bewaar mij ongezien en ongehoord.—
- Opeens Awater. Van een overloop
- zie ik hem komen, knipperend met 't oog.
- Geen sterveling, geen stad, geen avondrood
- bestaat voor hem. Hij komt gesneld van boven,
- zandstenen trappen af langs slangen koper.
- Hij ziet, schijnt het, een horizon, een zoom
- waaruit ononderbroken weerlicht gloort.
- Het is alsof hij hoort waarvan hij droomt
- en de plek ziet waar hij te vinden hoopt,
- zo snelt hij langs me, en ik voel mij doorboord.
- Hij loopt haastig de vestibule door.
- Hij hangt een sleutel op het sleuterboord.
- Een droge distel doet zich aan hem voor,
- hij grijpt zijn stok, hij wandelt fluitend voort.
- Hij dekt zich, ik echter ontbloot het hoofd:
- Wees hier, nogmaals, gij die op hoogten woont
- zo onbewoonbaar als Calvario.
- De straten zijn met asfalt geplaveid.
- Ik merk dat de echo, die mij uitgeleide
- deed door de hall met tegels, buiten zwijgt.
- De stad verleent de voet geluidloosheid.
- Een rij auto's glijdt karavaansgewijs
- met zacht gekraak van leer aan ons voorbij.
- Awater is mij reeds vooruitgeijld.
- Ja, ja, 't schijnt waar te zijn, hij wil op reis.
- Hij staat stil voor het modemagazijn.
- Ik zie dat hij naar een gezelschap kijkt
- van poppen die met plaids en verrekijkers
- legeren aan de oever van de Nijl
- gelijk uit pyramide en palmboom blijkt.
- O Awater, ik weet waarvan gij peinst,
- iets verder, bij de plaat der scheepvaartlijn
- waarop een Bedouïn in de woestijn
- een schip begroet dat over zee verschijnt,
- en, weer iets verder, bij het bankpaleis
- waar “vreemd geld” genoteerd staat in de lijst.
- Zo gaan wij samen langs de winkelschijnsels.
- Eensklaps is hij verdwenen in een zijstraat.
- Een deurbel klinkt. Daar moet hij binnen zijn.
- Er staat geschreven: scheren en haarsnijden.
- Het klein vertrek met kasten aan weerszij
- lijkt door de sterke geur van allerlei
- parfumerie-artikelen nog kleiner.
- Awater—ik moet zeggen, ik ben blij
- dat ik hem zie, ik was hem bijna kwijt,—
- zit in een mantel van gesteven lijnwaad
- voor de wastafel van wit porcelein.
- De kapper doet zijn werk, en ik zet mij
- als wie zijn beurt wacht, op een stoel terzijde.
- Nooit zag ik Awater zo van nabij
- als thans, via de spiegel; nooit scheen hij
- zo nimmer te bereiken tegelijk.
- Tussen de flessen, glinsterend verbrijzeld,
- verrijst hij in de spiegel als een ijsberg
- waarlangs de gladde schaar zijn snavel strijkt.
- Maar het wordt lente, en terwijl wijd en zijd
- de damp hangt van een bui die overdrijft
- ploegt door het woelend haar de kam de scheiding.
- Dan neemt Awater van de kapper afscheid
- en ik volg hem op straat, werktuigelijk.
- Het toeval neemt een binnenweg naar 't doel.
- Moest het, dat Awater belanden moest
- in het café waar ik kwam met mijn broer?
- Het moest, en hij zit zelfs in onze hoek.
- Ik zet mij ergens anders. Plaats genoeg.
- De kelner kent me. Hij weet wat ik voel.
- Hij heeft mijn tafeltje al tweemaal gepoetst.
- Hij blijft, met in zijn hand de witte doek,
- geruime tijd staan zwijgen naast mijn stoel.
- “De tijden” zegt hij “zijn niet meer als vroeger.”
- Ik weet dat hij ook aan mijn broer denkt, hoe
- met zijn hond aan de ketting en zijn hoed
- iets achterover op, hij binnenwoei
- en 't heele zaaltje vulde met rumoer.
- Hier ligt hetzelfde zand nog op de vloer,
- dezelfde duif koert in zijn kooi als toen.
- Oei, zei de wind, voort, voort! Zo is het goed.
- Wie is dat? zeg ik daar 'k iets zeggen moet.
- En hij, wetend terstond op wien ik doel:
- “Iemand die voor het eerst de zaak bezoekt.”
- Dan trekt hij van 't buffet het hekje toe.
- In 't water worden glazen omgespoeld.—
- Wat is 't dat in zijn zak Awater zoekt?
- Het is een boekje van marocco groen.
- Het is een schaakspel nu hij 't opendoet.
- Awater's ogen kijken koel en stroef.
- Zijn hand, op tafel trommelend, schenkt moed
- aan het visioen dat door zijn voorhoofd woelt.
- Een sneeuwvlok dwarrelt tussen droppen bloed.
- Het spel wordt tot een nieuw figuur gevoegd.
- Zijn glas, vóór hem, beslaat onaangeroerd.
- De cigaret die in de asbak gloeit
- maakt een stokroos die langs 't plafond ontbloeit.
- Hij zit volstrekt alleen en ongemoeid.
- Hij heeft wat een planeet heeft en een bloem,
- een innerlijke vaart die diep vervoert.
- Nu drinkt hij het glas leeg en sluit het boek.
- Hij krijgt, nu hij stil voor zich kijkt, iets droevigs.
- Hij kijkt mijn kant uit, zodat ik vermoed
- dat hij mij roept als hij de kelner roept.
- Maar neen, hij rekent af, ik ook, en spoedig
- gaan wij weer samen door het straatgewoel.
- Elektrisch licht dat langs de gevel schiet
- schrijft ieder ogenblik de naam opnieuw
- van 't restaurant, en een dubbele file
- mensen gaat in en uit langs de portier
- die de toegang van draaiend glas bedient.
- Terwijl wij binnentreden klinkt muziek.
- Awater blijkt bekendheid te genieten.
- Waar hij langs komt wordt naar hem omgezien.
- “Wat?” zegt iemand “kent u Awater niet?
- Ik meen, hij is accountant of zoo iets.
- Ik ken hem, maar ik ken hem niet intiem.
- Sommigen zeggen, 's avonds leest hij Grieks,
- maar anderen beweren het is Iers.”—
- Er is intussen iets zeer vreemds geschied.
- Een heer die zich op 't podium verhief
- zegt dat hij Awater zijn plaats aanbiedt.
- “Ik spreek” zegt hij “uit naam van allen hier.
- Wij hebben tussen ons een groot artiest.”
- Awater, met gebaren naar 't servies,
- wil zeggen dat hij van de eer afziet
- en liever had dat men hem eten liet.
- In de biljardzaal staakt men een serie.
- Het wordt doodstil. Boven schaart men nieuwsgierig
- zich langs de balustrade der verdieping.
- Het schroefblad van de ventilator wiekt.
- Dan staat Awater op en zingt zijn lied:
- —Steeds troostte ze, steeds heeft zij als ik sliep
- mij met haar liefelijke komst bezield,
- de aanbedene; thans kwam ze en heeft vernield
- de laatste steun die mijn verlies zich schiep.
- Zij was, toen 'k haar ontwaren ging, in diep
- met schrik vermengd verdriet terneergeknield;
- ik hoorde dat zij mij geloof voorhield
- maar zonder dat het hoop of vreugde opriep:
- “Herinnert ge u dien laatsten avond niet”
- sprak ze “toen ik uw tranen heb ontzien
- en zonder meer de wereld achterliet?
- Ik kon, noch wilde ik, melden u sindsdien
- hetgeen ik thans u te verstaan gebied:
- niet hopen mij op aarde ooit weer te zien.”
- Awater zwijgt. Hij verstijft tot graniet.
- Men applaudisseert, werpt met serpentines,
- Awater, als een pop, als een pop die
- te zwaar is voor zijn eigen mechaniek,
- waggelt den uitgang toe dwars door 't publiek.
- Er wappert nog een smalle strook papier
- hem langs de rug. Ik volg hem op de hielen.
- Ik zorg—want het is stil en de straat nauw—
- gelijke tred met Awater te houden.
- Zo hoort hij niet dat iemand hem bijhoudt.
- Mijn bezorgdheden worden menigvoud:
- er ligt post thuis, ik heb aan de werkvrouw
- nog niet gezegd dat ik op reis gaan zou,
- mijn raam staat aan, er brandt vuur in de schouw,
- ik heb niets bij me, wat doe ik ?upt
- op reis te gaan.—De vlieger aan zijn touw
- tuimelt en stijgt: telkens slaat mijn benauwdheid
- in vaster blijdschap om: wat zou 't, wat zou 't!
- Zo voer ik, het hoofd diep gebogen houdend,
- met mijzelf het beslissend onderhoud.
- De straat wordt breder. Uit bomen druipt dauw.
- Recht voor ons uit ligt het stationsgebouw.
- Zou men hier middernacht een meeting houden?
- 't Is stampvol op het plein. Tussen flambouwen
- staat op een ruw getimmerte van hout
- in haar heils-uniform, een jonge vrouw.
- Toeristen met rugzakken op de schouders,
- kinderen, vrouwen, arbeiders, hun blauw
- werkpak nog aan, staan onder de toeschouwers.
- “Wij leven” zegt zij “heel ons leven fout.”
- Awater, die de pas heeft ingehouden,
- kijkt naar mij om als kent hij mij van ouds.
- Maar waar? in een tram? in een schouwburgpauze?
- zo vraagt de blik waarmee hij mij beschouwt,
- terwijl hij—want het waait—zijn hoed vasthoudt.
- Wind, spelend met haar haar, legt langs de mouw
- der heilsoldaat een losse knoop van goud.
- “Liefde” zegt zij “wordt nooit vergeefs vertrouwd.”
- Awater blijft, ik loop door, en zoo gauw
- of ik de trein zag die ik halen wou.
- De stoker werpt steenkolen op het vuur.
- De machinist staat leunend uit te turen.
- Buiten de kap, boven de rails-figuren
- beginnen de signalen hun prelude.
- De klok verspringt van minuut naar minuut.
- Weer roept zij, de locomotief; voortdurend
- roept zij, roepend dat het te lang reeds duurt.
- Haar zuil van zuchten wordt een wolkenkluwen.
- Maar denk niet, dat zij zich bekreunt om u,
- de Oriënt Express; nog minder deelt ze uw jubel
- als gij plaatsnamen ziet in een schriftuur
- die de eerste klank is van het avontuur.
- Zij kent in haar reisvaardigheid geen r?ht.
- Wat voor hoop gij ook koestert of wegduwt,
- nogmaals, het deert haar niet; zelfs voor de illusie
- een reisgenoot te hebben is ze immuun.
- Dat gij, geheel alleen, u in haar luxe
- beklemd voelt, 't raampje neerlaat, en zelfs nu
- 't perron nog afblikt; of dat gij het puurst
- geluk smaakt dat voor het individu
- is weggelegd: te weten, 'k werd bestuurd,
- 't is niet om niet geweest, ik was geen dupe,—
- geprezen!—'t laat haar koud. Zij ziet azuur.
- Van schakels is haar klinkende ceintuur.
- Zij zingt, zij tilt een knie, door stoom omstuwd.
- Zij vertrekt op het voorgeschreven uur.
Utrecht, 1934.
- --oOo-- -