Doodsstrijd
- Ik lig zwaar en verminkt in de hoek van de nacht
- weerloos en blind; ik wacht
- op de dood die nu eindelijk komen moet.—
- het paradijs is verbrand; ik proef roet,
- dood, angst en bloed,
- ik ben bang, ik ben bang voor de dood.
-
- ik kan hem niet zien,
- ik kan hem niet zien,
- maar ik voel hem achter mij staan
- hij is misschien rakelings langs mij heen gegaan,
- hij sluipt op zwarte geruisloze voeten onzichtbaar
- achter het leven aan.
-
- hij is weergaloos laf;
- hij valt aan in de rug
- hij durft niet recht tegenover mij te staan
- ik zou zijn schedel te pletter slaan.
- ik heb nu nog, nu nog, een wild ontembaar
- verlangen naar bloed.
- --oOo-- -