Dies irae
- Neergedwongen in de lage zeden
- van een sombren godvergeten tijd
- gaan wij schichtig om tussen de beesten
- dien wij langzaam zijn ten prooi bereid.
-
- zie, ons leven in de zwarte kuilen
- onder roet en regen van den nacht,
- is nog slechts de echo van hun huilen
- dat het uur van zijn voldoenig wacht.
-
- éne horde, schijnbaar in twee kampen,
- opgejaagd en weer belust op bloed,
- hunkrend naar de pijn van sterke rampen,
- en het leven van den geest verbloedt.
-
- o, de woede, machtloos tot de tanden
- bloot te staan aan dit grauw vagevuur!
- wanneer zal dit Babel dan verbranden
- van de schachten tot het zwart azuur?
-
- wanneer zal de horizon weer lichten
- met dien smallen gloorstreep onzer hoop?
- zij behoeft geen grootse vergezichten
- om zich op te richten uit den dood;
-
- laat één ster, een onaanzienlijk teken
- flonkren boven de rampzaligheid
- en opnieuw geloven wij in streken
- voorbij 't moeras van dezen lagen tijd.
- --oOo-- -