School der poëzie
- ik ben geen lieflijke dichter
- ik ben de schielijke oplichter
- der liefde, zie onder haar de haat
- en daarop een kaaklende daad.
-
- lyriek is de moeder der politiek,
- ik ben niets dan omroeper van oproer
- en mijn mystiek is het bedorven voer
- van leugen waarmee de deugd zich uitziekt.
-
- ik bericht, dat de dichters van fluweel
- schuw en humanistisch dood gaan.
- voortaan zal de hete ijzeren keel
- der ontroerde beulen muzikaal opengaan.
-
- nog ik, die in deze bundel woon
- als een rat in de val, snak naar het riool
- van revolutie en roep: rijmratten, hoon,
- hoon nog deze veel te schone poëzieschool.
Uit: Apocrief, 1952.
- --oOo-- -