Die Kunst der Fuge
I
- Zo dwalen gedachten, dwalen ze zich herhalend
- als beken door bergwei, altijd een beetje anders,
-
- altijd een beetje hetzelfde, allemaal naar iets
- verlangend, een ergens, elders een herinnering
-
- zoekend daar naartoe. En hun verlangen is niets
- dan de kracht van water, hun herinnering niets
-
- dan oevers, ergens, elders zijn ze de zee.
II
- De ruimte van een winters woud van hoge beuken,
- en uit de kruinen daalt het, opnieuw en opnieuw,
-
- herhaalt zich deze beweging van ooit eens naar later,
- voor de duur van dat dalen, blad na blad na
-
- Hun herinnering is niets dan deze ruimte, en niets
- hun verlangen dan dit vallen, dit zich neerleggen
-
- tussen de anderen, dit onvindbaar voorbij zijn.
III
- De zwermen vogels boven het dal, die vluchtige
- momenten van bij elkaar horen en uiteen vallen.
-
- al die herhalingen waarin wordt gezocht naar die
- ene beweging, waarin herinnering en verlangen
-
- verdwijnen in elkaar, het vinden van die momenten,
- en het verliezen. Wat hen bindt en uiteen drijft
-
- zijn kou, wind, grijze daken in de diepte.
IV
- En hoog in de winterse ijlte voetsporen in de sneeuw,
- een man en een vrouw die hierheen kwamen lopen, hier
-
- —stappen het enige wat van hen bleef, een paar lijnen
- dunne, door elkaar heen dwalende lijnen, herinnering
-
- en verlangen, die beide, maar waaraan en waarnaar—
- hier waar wij zijn, niets dan wij, en sneeuw,
-
- sneeuw waarin nog geen stap is gezet.
V
- Het dwaalt, vloeit samen, valt uiteen, verdwijnt,
- en het herhaalt zich, alsof er steeds weer iets
-
- moet worden gezocht, gevonden, verloren, gezocht,
- alsof er steeds weer iets moet, iets moet zijn
-
- voor het verdwijnt en daarna.
Uit: Voor het verdwijnt en daarna, 1985.
- --oOo-- -