De moeder het water
- Ik ging naar moeder om haar terug te zien
- Ik zag een vreemde vrouw. Haar blik was wijd en
- leeg, als keek zij naar de verre overzijde
- van een water, niet naar mij. Ik dacht: misschien
- —toen ik daar stond op het gazon, pilsje gedronken
- in de kantine van het verpleegtehuis, de tijd
- ging langzaam in die godvergeten eenzaamheid—
- misschien zou 't goed zijn als nu Psalmen klonken.
- Het was mijn moeder, het lijfje dat daar roer-
- loos stond in 't gras, alleen haar dunne haren
- bewogen nog een beetje in de wind, als voer
- zij over stille waatren naar een oneindig daar en
- later, haar God. Er is geen God, maar ik bezwoer
- Hem Zijn belofte na te komen, haar te bewaren.
- --oOo-- -