Ik ween om priesters
- Ik ween om priesters, in een jurk gestoken,
- Terwijl de godsvrucht groeit in hun orgaan,
- Ik ween om eikels, die steeds zijn ontstoken,
- En om hun hand die op en neer moet gaan
-
- Hij komt, en zie—hij heeft hem alweer staan...
- Hij rukt zich blauw voor tien, onafgebroken:
- Dan valt hij roerloos slap, die korte haan,
- In de eeuwige schaduw van zijn pij gedoken:
-
- Zo als een vogel in de stille nacht
- Opeens ontwaakt, omdat de hemel gloeit,
- En denkt, 't is dag, en heft het kopje en fluit,
-
- Maar eer 't zijn vaakrige oogjes gans ontsluit,
- Is het weer donker, en slechts droevig vloeit
- In 't bruine paardehaar wat 't kwakje bracht.
- --oOo-- -