Twee koningskinderen
- Als alle mensen op hun handen liepen
- En ankers bleven drijven op de Rijn,
- Als oesters ongehoorde dingen riepen
- En naalden ons doorstaken zonder pijn,
-
- Als kangoeroes in hemelbedden sliepen
- En mummies konden zingen in hun schrijn,
- Als piramiden soepel zouden zwiepen
- En modderbaden geurden naar jasmijn,
-
- Als reuzen gingen zwemmen in 't ondiepe
- En er geen einde kwam aan dit refrein,
- Dan hoorde ik een raamkozijn zacht piepen
- En kuste jij me, dwars door het gordijn.
Uit: Alle gedichten tot gisteren, De Arbeiderspers, 1999.
- --oOo-- -