Ik denk altoos aan u
Sonnet I
- Ik denk altoos aan u, als aan die droomen,
- Waarin, een ganschen, langen, zaalgen nacht,
- Een nooit gezien gelaat ons tegenlacht,
- Zóó onuitspreek'lijk lief, dat bij het doomen
- Des bleeken uchtends, nog de tranen stroomen
- Uit halfgelokene oogen, tot we ons zacht
- En zwijgend heffen met de stille klacht,
- Dat schoone droomen niet weerommekomen…
- Want álles ligt in eeuw'gen slaap bevangen,
- In de' eeuw'gen nacht, waarop geen morgen daagt—
- En héel dit leven is een wond're, bange,
- Ontzétbre dróom, dien eens de nacht weêr vaagt—
- Maar ín dien droom een droom, vol licht en zangen,
- Mijn droom, zoo zoet begroet, zoo zacht beklaagd…
- --oOo-- -