Doodsliedje
- Ik kan niet lachen, ik kan niet wenen,
- Ik ben zo vreemd te moe;
- De zomer-pracht gaat henen,-
- Ik doe mijn ogen toe.
-
- Daar-binnen is het donker,
- Daarbuiten is het kil...
- Wat of dat geflonker
- Ver hier beduiden wil?
-
- Zou dt het doods-uur wezen,
- Waar alles op zijn best,
- Verheerlijkt opgerezen
- Verschemert voor het lest?
-
- Straks zong ik trotse dingen
- Van menschen-pracht en gloed,
- Nu kan ik niets meer zingen
- Dan dat ik sterven moet.
-
- O, éénmaal nog te wenen!
- Als men gestorven is,
- Dan gaan de mensen henen,
- en me de droefenis.
-
- Dan lachen en dan praten,
- Zo weder als van ouds...
- Ver van de drukke straten,
- Daar ligt alleen iets kouds.
- --oOo-- -