Op haar en hare zedigheid
- Als er zat plaats was en zat tijd,
- Dan mocht je preuts zijn zonder spijt.
- Heel rustig stelden we 't beleid
- Voor 't leven op, van haast bevrijd.
- Jij vond aan de Ganges' zijd'
- Robijnen; waar de Humber glijdt,
- Zou ik beklagen wie 'k benijd.
- Ik had je lief, nog voor 't Groot' Tijd'.
- Je weigerde mijn liefdespleit
- Totdat de Rode Zee weer splijt.
- Mijn liefde groeide, groeide, groeide! Wijd
- Als Rusland, ja, zo uitgebreid.
- Zo 'n honderd jaar duurde mijn pleit
- Voor ogen en gezicht; ik slijt
- Vier honderd voor je borsten (beid');
- In tig duizend wordt d' rest verblijd.
- Elk deel een tijdperk. En dan bij 't...
- Oh! 't laatste wordt je hart verleid.
- Want jij verdient deez' majesteit.
- Tot minder min ben 'k niet bereid.
-
- Maar, echter, achter mij daar rijdt
- Des tijds Formula I met vlijt.
- En voor ons ligt, fraai geplaveid,
- De al te stille eeuwigheid.
- Het zal vergaan, jouw schonigheid,
- En in je marm'ren graf verglijdt
- Mijn klinkend lied; een worm vergrijpt
- Zich aan je mooie maagd'lijkheid.
- Jouw ouderwetse eer gedijt
- Niet eeuwig, noch mijn gretigheid.
- Privé is 't graf, stil, zonder strijd,
- Toch ken ik niemand die daar vrijt.
-
- Kortom: we hebben geen respijt.
- Je bent nog niet verbleekt als krijt,
- Zolang je ziel zich nog bereid
- Verklaart en vuur en vlam verspreidt,
- Leef! Nu het kan! Met mij 't liefst, meid!
- Als tort'lend' roofvogels gaan wij 't
- Verslinden, elke splinter tijd.
- Stil niksen is vermaledijd.
- Als met een kogel van ons strijd-
- Plezier en onze heerlijkheid,
- Duw ik mijn ding zonder beleid
- Jouw levenspoort in, zo gezeid!
- Daar onze zon zich nooit verbijt,
- Doen wij haar racen! 't Wordt een feit!
- --oOo-- -