Ik zat eens heel alleen te denken
- Ik zat eens heel alleen te denken
- aan een gedachtezee, het krenken
- van geele golfjes kriebelde mijn voet,
- ik voelde als zoet lachen in me, zoet.
-
- Een murmelwindje floot me om de beenen
- lang blikkend schoven zich de golven henen
- verlangend, en ze veinsden hunnen lach,
- ze weenden dàn als ik ze niet meer zag.
-
- En stil begonnen toen de bleeke misten
- knievouwend op te staan en in de risten
- àl voort te gaan, de murmelwind werd koud,
- de mistewang en waterwange blauwt.
-
- En toen kwam ze aangegleden
- òver het ijswater—
- voeten haar kletteren deden,
- handen met handschater,
- lichtend verrezen òm de witte misten
- kijkende lichtoogig of ze vergiste
- zich met te komen, maar ze weigerde néén—
- o weenen, weenen, weenen
- deed ze met geween.
-
- Weenen, weenen, weenen,
- lachen, lachen, lachen,
- ik wist niet of druppelen schenen,
- ik wist niet wat oogen zagen—
- gleden haar koude handen,
- vielen haar marmerwangen
- dicht voor me neer, eilanden
- licht zag ik in verlangen—
- zee, hare oogen blinken,
- deed ze toch nederzinken
- stillekens, smeltend, nevelend aan mijn voet—
- spraakademen, oogademen, handademen, haarademen riekten zoet.
-
- Weenen weenen weenen,
- lachen lachen lachen,
- ik weet niet wat er uitschene,
- ik weet niet wat er uitzage—
- over mijn strakke oogen
- sloegen de neergebogen
- nevelen van haar om—
- dicht in mijn mondkeel stom,
- drongen haar nevelen,
- lichaam te omrevelen
- vielen hare lichtzeilen,
- sloegen haar vlamwaden
- mistvonkelsel beladen
- dooddronken, neergelegen, bleef ik wijlen.
-
- O weenen weenen weenen,
- o lachen lachen lachen,
- haar armen deden me dragen,
- haar handen deden me schragen
- als een hooge hooge wagen—
- misten hebben geschenen
- lachend als blanke vanen—
- om ons tweeën henen
- fonkelden vallende tranen,
- ik wist wat mijn oogen zagen.
Uit: Verzen, 1890.
- --oOo-- -