Upon a day Beauty and Ugliness met on the shore of a sea. And they said to one another, “Let us bathe in the sea.”
Then they disrobed and swam in the waters. And after a while Ugliness came back to shore and garmented himself with the garments of Beauty and walked away.
And Beauty too came out of the sea, and found not her raiment, and she was too shy to be naked, therefore she dressed herself with the raiment of Ugliness. And Beauty walked her way.
And to this very day men and women mistake the one for the other.
Yet some there are who have beheld the face of Beauty, and they know her notwithstanding her garments. And some there be who know the face of Ugliness, and the cloth conceals him not from their eyes.
Op een dag ontmoetten Schoonheid en Lelijkheid elkander aan de kust van een zee. En ze zeiden tegen elkaar: “Laten we gaan baden.”
Ze ontkleedden zich en zwommen in de wijde wateren. En na een wijle kwam Lelijkheid weer aan land, tooide zich met het gewaad van Schoonheid en ging zijns weegs.
En ook Schoonheid kwam het water uit, maar kon haar kleren niet vinden. En daar ze te beschroomd was naakt te blijven, hulde ze zich in het kleed van Lelijkheid en ging haars weegs.
En tot op heden houden mannen en vrouwen ten onrechte de een voor de ander.
Doch er zijn enkelen die het gelaat van Schoonheid hebben aanschouwd en haar niettegenstaande haar gewaad herkennen. En er zijn enkelen die het gezicht van Lelijkheid herkennen en door zijn dekmantel heen zien.