Het leven
- Ach! hoe snelt ons leven,
- Als een stroom gedreven,
- Die van rotsen schiet!
- Blijde en droeve jaren
- Vluchten met de baren,
- En zij keren niet!
-
- Kindsheid ijlt als 't krieken,
- Jonglingschap heeft wieken,
- Kommer zweept de man,
- Grijsheid maant tot scheiden -
- Zweeft er tussen beiden
- Wel een enkele span?
-
- Onder min en kozen
- Welken aardse rozen,
- Worden Tempe's duin;
- Onder spel en dansen
- Vlecht de grijsheid kransen
- Om de kale kruin.
-
- 't Glinsterend smalt der weide
- Wordt een vale heide
- Voor de ouderdom;
- 't Koor der Filomelen,
- Hoe ze om bloeitijd kwelen,
- Blijft voor 't harte stom.
-
- 't Mondje, toverend blode
- Dat tot kusjes node,
- Wekt geen wensje meer.
- 't Oog, dat lustjes teelde,
- Vochtig eens van weelde,
- Zinkt verlaten neer.
-
- Of de beekjes stollen,
- Of haar golfjes rollen,
- Winter sneeuwt in 't hart.
- Bij de druk der jaren
- Rekken al de snaren
- Van de vreugde en smart.
-
- Alles, wat wij minden,
- Werd een spel der winden,
- Of omsluit een graf.
- Stomp en afgesleten,
- Eenzaam en vergeten,
- Zinkt ons de eeuwgeest af.
-
- Wie zou 't leven dragen
- Met zijn heil en plagen,
- Met zijn lang verdriet,
- Zwol, na zoveel kommer,
- In een dal vol lommer
- 't Zachtste rustbed niet?
-
- Alles is verschijning,
- Alles is verdwijning,
- Op de levensstroom.
- Niets kan 't rustpunt raken -
- Sterven is ontwaken
- Uit een bange droom.
Uit: Oden en Gedichten III.
- --oOo-- -