Colma
Romance
- In 't eenzame hutje
- Sleet Colma bij winter
- De slepende nacht.
- De noodstormen huilden,
- De springvloeden gierden,
- En 't ijs loeide in 't rond.
-
- Een dwarrelend lampje
- Verspreidde aan de kleiwand
- Een nevelig licht;
- Gelijk bij de doden,
- De statige doden,
- De lijklampen doen.
-
- Daar zat zij en treurde,
- Zo eenzaam, zo ledig,
- Zich 't harte van één.
- Wat baat haar de morgen?
- Zij ziet bij zijn purper
- Haar minnaar toch niet!
-
- Langs bergen en dalen
- Was Edwin getogen
- De vijand te keer,
- En 't zieltje van 't meisje
- Was met hem gevlogen,
- En zweefde om hem heen.
-
- Ach, Hemel! het lamplicht
- Wordt blaauw voor hare ogen,
- En kraakt in de pijp -
- En tegen haar over
- Aanschouwt ze de minnaar,
- De énige man!
-
- Maar niet met die wangen,
- Daar rozen bij kwijnden;
- Die lach in de mond,
- Die 't al om zich henen
- Herschiep in een Eden
- Van stromend genot.
-
- Hologig en spraakloos,
- Met benige kaken,
- En lippen van lood,
- Stond Edwin daar voor haar,
- Vol rimpels en pramen,
- Gevoelloos en stijf.
-
- Genoeg, 't scheen de minnaar,
- Die ze eenmaal beminde
- Om 't eeuwig te doen -
- Een hut en zijn schaduw
- Verzwelgt in haar harte
- Een troon zonder hem!
-
- Voor alles verloren,
- Half dronken van blijdschap
- Van teerheid en min,
- Ontsluit ze hare armen; -
- Maar Edwin bleef roerloos
- En ijlde er niet in. -
-
- Met zwellende boezem,
- Door 't popelend harte
- Aan 't golven gebracht,
- Vliegt ze om hem te omvatten -
- De hut wordt haar Hemel,
- De middernacht dag! -
-
- Zij grijpt - daar verdwijnt hij!
- Zij ziet slechts een nevel,
- En bloed op de steen -
- Zij kent heel haar noodlot,
- Grijpt bevend naar 't lampje;
- Maar 't brandde niet meer!
-
- Door ijzing bevangen,
- Van weedom en smarte
- Gevoelloos en stom,
- Zoekt ze aaklig in 't donker,
- Schoorvoetend en tastend,
- De strodeur der hut.
-
- Ze ontsluit ze, stuiptrekkend,
- En ijlt door de heide
- In 't holle des nachts.
- De noodstormen huilden,
- De springvloeden loeiden -
- Zij hoort het niet meer!
-
- Zij stuit aan de heuvel,
- De vochtige heuvel,
- Daar, diep in de grond,
- 't Gebeente vermolmde,
- Het dierbaar gebeente
- Van heel haar geslacht.
-
- Hier zinkt ze op het aardrijk -
- Gevoelt zich nog eenmaal,
- En troetelt het graf -
- Haar lippen verbleekten,
- Hare ogen verstijfden,
- En 't roosje brak af.
1782.
- --oOo-- -