Bij het doodsbed van een kind
- De aarde is niet uit haar baan gedreven
- toen uw hartje stil bleef staan,
- de sterren zijn niet uitgegaan
- en 't huis is overeind gebleven.
-
- Maar al 't geklaag en dof gesnik,
- zelfs onder 't troostend koffiedrinken,
- het kon uw stem niet op doen klinken,
- noch licht ontsteken in uw blik.
-
- Gij zult wel nimmermeer ontwaken,
- want gij bleef roerloos toen de trap
- zo kraakte bij de stille stap
- des mans, die kwam om toe te maken.
-
- Ziet, lieve mensen, 't is volbracht,
- Wat gaan wij doen? Wij konden bidden,
- dan blijf ik nog wat in uw midden,
- gij krijgt toch wel geen slaap vannacht.
-
- En heeft een uwer een ervaren
- en hooggeleerd en vruchtbaar brein:
- hij zegge mij of 't waar kan zijn
- dat haar de wormen zullen sparen.
Uit: Verzen, Verzameld Werk, 4e druk, 1960, uitg. P.N. van Kampen en Zoon.
- --oOo-- -