De baggerman
- Vergeef het mij, maar 'k durf u niet genaken,
- daar mijn gelaat nog glimt van 't laatst ontbijt,
- en gij misschien reeds uren bezig zijt
- uw duizendvierde slootje schoon te maken.
-
- Ik groet met diep ontzag uw aardse banden:
- uw krommen rug en moedelozen baard,
- waarlangs de regen naar beneden vaart,
- uw dunne benen en uw grote handen.
-
- De koeien staken af en toe het grazen
- om op te zien met sluwe koppigheid
- en luid te loeien dat ge een luiaard zijt,
- wanneer gij rust om even uit te blazen.
-
- Die stomme beesten zouden u verklikken;
- pas op uw tellen dus en schep maar raak.
- Vertrouw ook niet de raaf, dien zwarten snaak,
- die in uw slijk de wormen op komt pikken.
-
- Het is des Heren wil of 't zou niet wezen.
- En trouwens, man, het slijk moet uit de sloot.
- Wees dus maar stil, gij zijt toch spoedig dood:
- als gij in 't water kijkt dan kunt gij 't lezen.
Rotterdam, 1908.
- --oOo-- -