Uitkomst-rijm
Juist voor dat de Groene ter perse ging, bladerde Charivarius, die maar geen onderwerp voor een Rijm kon bedenken, Groot-Nederland 1921 door. Op bl. 403 las hij: “Rustig godslampte een ster”. Rijm klaar.
- De bleeke maan godslampte door de kille ruiten,
- Ik handen in mijn zakte, pijpte in mijn mond,
- Zo ruizerijmerde ik zonder Rijm, naar buiten,
- “Geen muz’,” helaasde ik, “die mij stof tot dichten zond.”
-
- Ik straatopte. Maar ’t heeft mijn stemming niet verbeterd;
- Een enkeling klabakte voetstapsdreungedruis...
- ’t Was zestien graden onder nul gethermometerd,
- Een straatnimf gajemeede, ’k neende norsch naar huis.
-
- Of ik al stevig kachelcokesde, ’t mocht niet baten,
- Het warmekamerde, maar ach! mijn geest bleef koud.
- “Moet g’ ongeschrijfmachiend,” zuchtt’ ik, “uw epos laten?”
- Hebt gij geiedereweekt, dat gij thans staken zoudt?
-
- Ik was geërgernist en had het uitgejammerd,
- Waar ’k niet te goeder uur gereddingd uit den brand.
- Ja. Gij hadt zonder Rijm gegroeneamsterdammerd,
- Had ik niet net op tijd nog gegrootnederland.
Opgenomen in: Nederlandse nonsens op rijm, bl. 136, serie Prismaboeken, uitg. Het Spectrum, Utrecht, Antwerpen, z.j.
- --oOo-- -