De drie vluchtelingen
- Het eerst zag ik de vrouw, dat ligt
- nu eenmaal in mijn aard.
- Hoe gerimpeld was haar gezicht
- (een berglandschap in kaart).
- Door welk hels en aards gericht
- werd haar geen leed bespaard?
-
- Onder de doek rond het gelaat
- sliertten wat haren grauw;
- zij stond daar als ene die staat
- —een doodvermoeide vrouw—
- op de hoek van een voorstadsstraat
- in sneeuw en winterkou.
-
- Zij keek niet om naar de man,
- een pak in de ene hand.
- Ik dacht: dit is haar zoon. En dàn:
- zij zijn zeker hier gestrand
- en zij weten niet wat er van
- hen worden moet in mijn land.
-
- In de ene hand het pakket
- gewikkeld in vaal papier;
- ter rechter met rode baret
- een mager meisje, wier
- verwilderde ogen ontzet
- vroegen: wat doe ik hier?
-
- Het leek of de man wat zei aan
- de vrouw, die voor hen liep.
- Misschien: wij moeten verder gaan…
- En zij, in dromen diep,
- hoorde nauw zijn schuchter vermaan
- en ging alsof zij sliep.
-
- Ik volgde hen over 't perron
- —de vrouw, de man, het kind—
- de trap af en uit het station…
- Waar Amsterdam begint
- scheen over het water de zon
- en woei een voorjaarswind.
-
- De man lei het pak op de grond
- en knipperde in het licht;
- de vrouw , die zichzelve hervond,
- knoopte het jasje dicht
- van het kind; ik die bij hen stond
- liep door met dit gedicht.
Uit: Verzamelde gedichten, 1922-1943
- --oOo-- -