Regen en maanlicht
- De zomernanacht groeit den morgen tegen;
- Nog is de hemel rein van dageraad.
- Alleen de kleine stem der zachte regen,
- Die aan mijn open venster praat.
-
- Naar bed gegaan, vermoeid van leed en leven,
- Een mens, die slaap wenst als hem de aarde pijnt,
- Voel ik mij tot een lichter lust verheven,
- Omdat de maan zo helder schijnt.
-
- O onrust van de hete zonnedagen,
- O wegen in den beet van 't stof begaan,
- Wie zou na loomte en agst nog anders vragen
- Dan dezen schijn der maan?
-
- Al wat ik heel mijn leven heb verzwegen,
- Verlangen zonder vorm en zonder naam,
- Is nu geworden tot een warme regen,
- Buiten een zilvren raam.
- --oOo-- -