In memoriam
- De blaren vallen in de gele grachten;
- Weer keert het najaar en het najaarsweer
- Op de aarde, en de donkre harten smachten
- Der levenden. Hij ziet het nimmermeer
-
- Hoe had hij dit bemind, die duistre straten
- Die atmosfeer van mist en zaligheid,
- Wanneer het avond wordt en het verlaten
- Plaveisel vochtig is en vreemd en wijd.
-
- Hij was geboren voor de stille dingen,
- Waarmee wij leven—maar niet even lang—
- waarvan wij 't wezen slaken in ons zingen,
- Totdat wij zinken, en met ons de zang.
-
- Het was een herfst als nu: de herfsten keren,
- maar niet de harten, na hun korten dag;
- Wij stonden, wreed van menselijk begeren,
- In de ademlooze kamer waar hij lag
-
- En voor altijd is dit mij bijgebleven:
- Hoe zeer veel stiller dood dan slapen is;
- dat het een dag'lijks wonder is, te leven,
- en elk ontwaken een herrijzenis.
-
- Nu weer hervind ik mij in het gewijde
- Seizoen, waar de gevallen blaren zijn
- Als het veeg zonlicht van een dood getijde
- En denk: hoe lang nog leef ik in die schijn?
-
- Wat blijft ons over van dit lange derven,
- Dat leven is? Wat dat ik nog begeer?
- voor hem en mij een herfst die niet kan sterven;
- zon, mist en stilte, en dan voor immermeer.
- --oOo-- -