4umi Belcampo : Het grote gebeuren

Het grote gebeuren

Belcampo, 1958. Zie ook een kaart van Rijssen.
Uitgave in 1959, geïllustreerd door Emile Puettmann, 63 blz.
 Wereld-Bibliotheek-Vereniging, Amsterdam/Antwerpen.

Onze aardbol is rond en alom heerst op haar het woeden der geschiedenis. Revoluties golven, tronen wankelen, kronen rollen, bommen vallen, kreten stijgen op, bloed vloeit.

Maar één gemeente ken ik, die daar ligt, nog even onberoerd als op de dag der schepping—Rijssen. Wat zeg ik? Rijssen ligt? Nee, Rijssen lag, want Rijssen is niet meer, niets is meer, ook jij lezer, bent niet meer. Lees dit verhaal en weet, dat je niet meer bent.

Rijssen dan. Een brede gordel van heide en veen hield elk wereldberoerends buiten, nooit plofte een bom, nooit stak een bajonet binnen Rijssens grenzen, nooit had een tijdelijke en dus valse leuze op Rijssenaren vat. Wel waren er eens wallen, maar vóór de tachtigjarige oorlog begon, had men die al weer gesloopt. ‘Tachenteg joar, dat doert oons vuls te lange,’ zal wel een van de raadsleden gezegd hebben, ‘doar doore vie neet an met, allo jongs, dale met 't spil. De stadsreggen ku'w der neet méér met vespölln.’

Stadsrechten hadden ze, maar de stallen bleven in de huizen, de mesthopen bleven aan de voordeur, koeien en varkens bleven zich in de straten bewegen en droegen op hun wijze tot het plaveisel bij, ook al kwam er in 't laatst een grote fabriek. En met zulke dingen kan zo'n stadje in de wereld nooit wat worden, evenmin als een mens, die geen afstand wil doen van zijn plaatselijk accent.

Maar voor zichzelf was Rijssen alles, Rijssen was bijna een autarkie.

Er was hout en leem voor huizen, er werd gesponnen en geweven, er waren akkers en weiden, er was turf. Alleen moest er eenmaal in de dertig jaar een molensteen uit Bentheim komen.

En wat er woonde was een streng besloten kring. Nakomelingen van hen, die zich van elders hadden gevestigd werden nog in vele generaties aangewezen. Rijssenaren, die naar elders waren vertrokken, werden nog geslachten lang bepraat.

De Regge was vanouds een bevaarbare rivier maar geen Rijssenaar bevoer haar ooit, de scheepvaart was uitsluitend in handen van de Entersen. Aan de Engelse oorlogen, die oorspronkelijk op zee werden uitgevochten, nam dan ook nooit een Rijssenaar deel.

Behalve Adam Langenberg heeft iemand van betekenis in Rijssen niet gewoond en dat is ook goed, want die stichten maar verwarring, zulken brengen de rustige kringloop van 't leven in gevaar.

Met een geestelijk leven, gegrondvest op eeuwig en onwrikbaar geloof en een economisch leven, beheerst door nog eeuwiger en onwrikbaarder natuurwetten heeft Rijssen zich door alle tijdsgewrichten heen gehandhaafd. Het best vindt dit zijn uitdrukking in het antwoord, dat sinds onheugelijke tijden de Rijssenaren geven op de vraag hoe het er mee gaat: och wat za'k oe zeng, de bokse wier an en de bokse wier oet. Dat betekent zoveel als: het leven gaat zijn sukkelgang.

Maar zou het nu altijd zo door moeten gaan met die bokse? Zou het niet één keer komen: an en nooit meer oet of oet en nooit meer an?

 

In een mens is iets van de boemerang. Koen en duizelend stort hij zich in 't leven voor- en opwaarts maar altijd komt op grote hoogte het terugzien op zijn eigen baan en oorsprong en eenmaal is er 't punt waarop 't verlangen naar terugkeer de overhand krijgt op drang naar groter verte.

Zo was het ook met mij gegaan: Na tientallen jaren van rondbuiteling was ik weer teruggekomen in het Rijssen van mijn jeugd.

Hetzelfde zoemen van de hei, hetzelfde suizen van de dennen, hetzelfde vredige gedoe met beesten en gewassen, dezelfde rustige beslotenheid van 't hele bestaan, die mij als kind onbewust zo gelukkig deden zijn, dat alles was weer om mij heen. Ik was weer tussen mensen, elk uur van de dag bereid, een kalm en wijs gesprek te voeren, de wetenschap was weer beperkt tot de dorpsdokter en de onderwijzer en wat de kunst betreft: vijftien mijlen in omtrek wist ik precies waar een piano stond. Bij een bakker in de Grote Straat, wiens geslacht betere dagen had gekend, hingen twee schilderijen van Spohler en op de Oosterhof, het plaatselijke kasteel, was nog een portret van prins Maurits uit de tijd, gedichten werden alleen gemaakt met Sinterklaas of als advertentie in het wekelijkse blaadje.

Ik had een baantje op 't gemeentehuis, een gemakkelijk baantje. Behalve dat het mij voor minachting behoedde gaf het nog een klein salaris. Dit belette mij niet het ouderlijk huis aan de Grote Straat te bewonen met de grote kelder en de grote zolder, de grote lindebomen en de grote tuin. De boemerang was volkomen. Ja, ik sliep zelfs weer in het zolderkamertje waar ik als knaap en later als jongeling in de lange vakanties geslapen had, het hoogste kamertje in de straat met over de huizen heen, alleen de kerk er tegenover. Als ik mijn handen waste, als ik me inzeepte, als ik mijn broeken aantrok, altijd keek ik over de huizen heen naar de kerk, naar de boomtoppen en het grote stuk lucht.

Als jongen was dat met een gevoel van: ha, daar, hoog en ver, liggen de jachtvelden van mijn leven, wolken en sterren benaderen in plaats van steentjes oprapen van 't pad, nu, na mijn terugkomst meer omdat het zo aangenaam was voor de ogen.

Een groot gedeelte van de dag bracht ik door met praatjes over de heg of over de onderdeur. Er is elke dag wel iets of iemand om over te praten. In een autarkie is alles, maar gebeurt ook alles. En het onderzoeken van gebreken in de medemensen valt ook onder wijsheid, vooral eerst goed vaststellen wat die of die gedaan heeft en waarom hij dat gedaan heeft, want dat is toch verreweg het leukste deel van wijsheid. En er zich dan aan spiegelen natuurlijk.

Ook in Rijssen had elke zonde zijn belijders: geldzucht, wangunst, het vlees.

En het was voor mij vermakelijk te zien hoe ook ondeugden volwassen worden, hoe soms een kleine trek van een vroeger schoolvriendje nu als een boom was die 't hele karakter overschaduwt. Ook zag ik ondeugden, door de ouders krachtig onderdrukt, toch weer te voorschijn komen in de vorm van hun kinderen. En soms weer waren er goede kinderen uit deugdloze ouders zodat ik wel eens dacht: belichamen kinderen dat, wat uit de ouders ontsnapt, wat niet meer bij hen wezen wil? 't Is natuurlijk niet waar en toch is er iets vreemds in, dat bij iemand gedachten zouden opkomen die niet waar zijn.

Ik had het vertrouwen behalve van hen, die ik haatte, ik was zelfs, als bewoner van het grote huis, gezien. Ik leefde mee met zevenduizend mensen en vulde daar mijn leven mee en ik wist niet beter of dat zou zo blijven tot het einde, er lag nog een zee van genoeglijkheid voor mij.

 

Naast mij, in het huis met de trapgevel van 1664, waar ik als kind zo'n romantische eerbied voor had omdat het de vierdaagse zeeslag had meegemaakt, woonde een onderwijzer, misschien wel mede door zijn zeventiende- eeuwse omgeving, de plaatselijke Swammerdam. Hij bekeek alle dingetjes van de natuur en bleef daarover nadenken; hij had een paar kamers boordevol zeldzaamheden, zijn museum, en telkens als hij weer iets vond, correspondeerde hij daarover met Thijsse.

Hij had een dik boek waar alle planten in stonden, de kruiden en ook de onkruiden. Over dit laatste schudden de Rijssenaren hun hoofd. Een verstandig mens, vonden zij, deed maar één ding met onkruid: uitrukken en terstond.

Onze tuinen grensden aan elkaar en vaak liet hij me, als hij met spitten of planten bezig was, over de heg een zeldzaam insekt zien of een ei ervan dat hij zojuist vond. Ik hield veel van zijn praten over dieren en planten, soms wist hij er ook de mensen in te betrekken.

 

Op een avond werd ik in mijn lekker zitten lezen opgeschrikt door een rij gillen uit het huis van mijn buurman. Onze huizen waren niet tegen elkaar aan gebouwd, er liep een smal gangetje tussendoor dat ze in Rijssen weegte noemen. Alleen hele sterke geluiden drongen van 't ene huis in 't andere door. Ik rende voorom bij hem binnen en vond hem daar bezig zijn vrouw, die doodsbleek op een ouderwetse crapaud was neergevallen of neergelegd, uit een flauwte bij te brengen. Tegen mij trok hij de schouders op, zeggende daarmee: een raadsel. Haar voorhoofd en slapen waren al bevochtigd, nu wreef hij haar handpalmen. Ik trok gauw haar schoenen uit en ook een van de mijne, want het enigste leek mij haar een van mijn vrijgezellensokken onder de neus te houden. Wij moesten toch zo spoedig mogelijk weten, wat de oorzaak van de flauwte was. Het baatte prompt. Ze sloeg twee verschrikte ogen op en tussen het naar adem snakken door stootte zij er fluisterend uit: zo'n-raar-beest-in-de-slaapkamer!

Eén blik van verstandhouding tussen ons mannen was genoeg. Aan de ene kant de vrouw, echtgenote van een van ons, die bijgestaan moest worden, die belet moest worden terug te vallen in een tweede flauwte, aan de andere kant het beest, dat gevangen moest worden, behouden voor 't museum. De tweestrijd was hevig en smartelijk. Hier moest in elk geval het minimum worden gedaan, maar nauwelijks was dan ook het blijvend bewustzijn verzekerd en een snippertje gemoedsrust in haar teruggekeerd of wij stormden naar het slaapvertrek. Pas vlak voor de deur werden we geruisloos. We traden binnen. Met een ingehouden kreet duidde mijn buurman op het hoofdeinde van 't bed. Ja, boven op een van de kussens zat het beest, een donkere, opgerichte hoop, zo groot als een molshoop. Er was al te veel schemer om hem duidelijk te zien. Vleugels had hij niet, tenminste geen vleugels om te vliegen, of waren dat staarten? Het aantal poten? vier in elk geval. Was het een plat of een lang dier? Dat konden we niet zien, het bewoog zich niet. Zijn wijze van verplaatsing was niet uit te maken.

Eerst vangen en dan bekijken. De buurman sloop weg en sloop weer aan met een groot vlindernet. Een behoedzaam voorwaartse beweging, een slag, een draai en hij zat er in, het beest. Triomfantelijk en ons niet bekommerend om het nu onordelijk geworden hoofdkussen droegen wij onze zich doodstil houdende buit de trap af.

‘We hebben hem, we hebben hem’, riep Hendriks—zo heette de onderwijzer—kennelijk om zijn vrouw gerust te stellen maar in plaats daarvan hernieuwde zich de gilbui van Mevrouw Hendriks en vluchtte ze de tuin in.

‘Laat haar daar maar,’ zei Hendriks, ‘de tuinlucht zal haar goeddoen, als ze tenminste geen peer op 't hoofd krijgt.’ Het was september, er stond een hoge, volle pereboom achter Hendriks' huis en zijn huwelijk was niet al te gelukkig. Hij kon 't haar maar niet vergeven dat ze zijn wroeten in de dingen der natuur en in de natuur der dingen zag als een afdwaling des geestes. Haar bezwijming op het zien van een vreemd beest vond Hendriks dan ook een gerechte straf.

Uit de museumwerkplaats haalde hij nu een leegstaand aquarium en daar deden wij het beest in, wij zetten het onder de lamp en groot was onze verbazing. Het was een beest, zoals we nog nooit hadden gezien, waar we ook geen enkel plaatje en geen enkele beschrijving van een beest mee in verband konden brengen. Het best was het nog te vergelijken met een oudhollands oorlogsschip. In plaats van op de kiel rustte het op drie in de mediaanlijn geplaatste poten, de vuurmonden waren hier gaten, wel twintig aan elke kant, waardoor van binnenuit bliksemsnel ook een soort poten kon worden uitgestulpt. ‘Pseudopodiën!’ riep Hendriks uit, ‘die komen anders alleen maar bij protozoën voor’. Het beest was, net als bij een schip opgebouwd vanuit de kiel. ‘Geen ruggegraat, maar een borstegraat’ riep Hendriks weer.

De ribben, beneden ingeplant, bogen zich naar boven en staken met hun uiteinden door een vochtige, leerachtige huid heen en aan die uiteinden hingen op de plaats, waar bij gewervelde dieren de ruggegraat zit, oranje lampionnetjes, die het beest af en toe liet bengelen. De buik was vuurrood, het verdere was heel donker groenzwart. De voorkant was bezet met grote gesluierde wratten, aan de achterspiegel—er was geen staart—was het beest erg vies, daar was blijkbaar een soort gootsteen. Vooraan, op de plaats van het schegbeeld, zat de kop, een kop als een knop, een knopkop. De mond was breed, de bovenlip hing er overheen als overkokende melk.

Een keer gaapte het beest wijd en stak daarbij zijn tong uit. Die tong was een bewegelijke buis, rond en hol, meer nog als een vergroeidbladige bloemkroon, en gemaakt om zich bliksemsnel over en om iets heen te stulpen.

Het allermerkwaardigste waren de ogen, zij hadden iets menselijks, niet in vorm of kleur, maar in de wijze van zien. Het was het typisch menselijk kijken van een wezen, dat gevolgtrekkingen maakt uit wat het ziet. Dat was bepaald eng. Stonden wij tegenover een denkend wezen?

Hendriks ondervond dit blijkbaar niet zo erg als ik, hij was veel te veel in vuur over zijn geweldige vangst. ‘Een gewerveld dier is het niet, pseudopodiën, die tong, dit beest past nergens in, dit beest vertegenwoordigt een nieuwe orde’, riep hij uit, ‘ik ga onmiddellijk aan Thijsse schrijven!’

Maar vóór hij daartoe overging werden wij onbeschrijfelijk geboeid door een tafereel aan 't lijf van 't beest. Er stulpte zich een schijnvoet uit, houdende in zijn klauw een los knikkertje. Een paar gaten verder naar achteren stulpte zich een tweede schijnvoet uit, nam het knikkertje in ontvangst en trok zich weer naar binnen. Hendriks mompelde iets van: tractus digestivus met handreiking, maar scheen het met zichzelf niet eens.

Terwijl ik moest blijven kijken of er soms niet nog wat gebeurde schreef Hendriks de brief aan Thijsse. Het beest hield zich daarbij koest, een keer hoestte het zoals een mens. Behalve dat het een paar keer zijn bovenlip over de bodem van 't aquarium liet stromen en weer terug, bleef het de eerste tijd onbewegelijk, totdat het blijkbaar begreep wat er gaande was. Toen stak het zijn tong ver naar voren, maakte hem breed en omstulpte daarmee zijn ogen. Ons vermoeden dat dit de slaapstand was werd versterkt doordat het beest in deze toestand bleef.

 

De brief van Hendriks werd lang en dus in de enveloppe dik.

‘Ga je nog even mee hem op de bus brengen?’ vroeg Hendriks, die een kleur gekregen had van het vuur waarmee hij de brief had zitten schrijven.

Het was laat geworden. Samen liepen wij door het nachtelijke Rijssen. In de stilte en de diepe rust waren onze voetstappen gebeurtenissen en ieder, die de slaap nog niet had kunnen vatten zou er aandachtig naar liggen te luisteren.

De stemming van de nacht had geen vat op ons, zo waren we nog vervuld van het wonderlijke beest. ‘Ik wed, dat Thijsse morgenavond al bij me is’, zei Hendriks toen we voor 't postkantoor waren gekomen en hij de belangrijke brief in de richting van de donkere spleet bewoog.

Maar opeens greep hij me bij de arm...

Wij wankelden onder het stokken van onze adems.

Uit de spleet kroop langzaam te voorschijn en bleef halverwege zitten, omgeven door een wolk zwak licht, dat hem in de nacht goed zichtbaar maakte ... net zo'n beest... of hetzelfde beest.

Het bleef daar zitten, rustig, alsof het nergens erg in had, de toegang tot de brievenbus versperrend. Dit was niet nodig, de hand met de brief was toch al verlamd. De hand niet alleen, wij verlamden helemaal door deze plotselinge confrontatie, ons lichaam en onze geest. En dan de hoofdvraag: was het zitten van dat beest op ons gemunt of niet?

‘Ik zou die brief maar niet op de bus doen’, verstoorde een lage stem onze ontsteltenis, een stem, waarvan ik nu nog niet weet of hij uit mezelf of uit het beest kwam.

Ik trok Hendriks mee, de kant op naar huis.

‘Snap je daar nou wat van’, zei hij na wel honderd meter van bijkomen trachtend zijn houding van wetenschappelijk mens terug te vinden, ‘zou er een hele zwerm van die beesten...?’

Ik schudde het hoofd als wilde ik zeggen: Vermoei je der niet mee, er is wat gaande.

Op het Schild was het mijn beurt om Hendriks aan de arm te grijpen.

Boven ons stond een hemellichaam dat er niet hoorde.

Al zie je in je dromen en je fantasie ook nog zo vaak werelden van licht rondslingeren en dooreenkrioelen, wanneer in werkelijkheid een ster of een planeet maar één kriezeltje afwijkt van zijn normale gedrag, ben je al helemaal van de stukken.

Het hemellichaam vlamde en had vorm. En het werd groter, het kwam op ons af. Dichtbij beschreef het een boog en bleef toen staan midden boven het Schild. Licht flakkerde op onze gezichten, Rijssen werd groengeel. Het was een vlammende sabel.

Wij keken elkaar aan met iets van wantrouwen in de blik, een ogenblik dachten we van elkaar: Lig je me nou de hele avond een beetje te bedonderen?

De sabel bleef niet lang aan de hemel, tien minuten op zijn hoogst.

‘Er is wat gaande’, zei Hendriks nu ook.

Ik ging nog even met hem mee naar binnen. Het aquarium was leeg.

 

Het eerste wat ik deed toen ik thuis kwam, was de thermometer bij mezelf aanleggen. Zevenendertig drie, het was dus niet van koorts.

Nadat ik alle hoeken van mijn kamer op abnormaals had onderzocht en een blik uit 't raam geworpen had, of aan de hemel alles in orde was legde ik mij te bed en gaf mij daar over aan beschouwingen, die tot een slotsom leidden waarmee ik rustig in kon slapen.

Die slotsom was deze:

De zekerheid, die wij gekregen hebben door ons geloof in de onveranderlijkheid van de natuurwetten voelen wij bijna als een levensvoorwaarde en al wat daarmee in strijd schijnt, schokt ons diep. Maar die hele zekerheid, dat hele vertrouwen, is uitsluitend gebaseerd op de ervaring van de laatste duizend jaar.

Gesteld nu eens dat er krachten zijn, veel machtiger dan de natuurwetten, die de natuurwetten gewoon in hun zak hebben, noem ze bijvoorbeeld transfysische krachten, wat betekenen dan duizend jaar in het leven van zulke albeheersende krachten. Een tel. Als die even pauzeren om op adem te komen zijn er meteen duizend jaren om. Is het dan niet heel goed denkbaar, dat wij tot dusverre in zo'n rustperiode leefden, dat onze wetenschap is opgebouwd gedurende zo'n—noem het maar—wonderloos interval! En dat we daarvan nu het einde hebben bereikt? Hoeveel overleveringen en legenden zijn er niet die van zulke krachten spreken en is het niet of wij in ons diepste binnenste de herinnering er aan bewaren? Ja, ons vertrouwen op het vast verloop der dingen rust bij lange na niet op voldoende grond.

Met het stellige besluit, mij voortaan over niets meer te verwonderen, ook al gebeurden er morgen aan de dag de allergekste dingen, draaide ik mij op mijn zijde en sliep in.

 

Toen ik de volgende morgen ontwaakte voelde ik het gebeurde vaag, als gedroomd. Maar dit duurde niet lang. Zijn de jongens al zo vroeg bezig hun vliegers op te laten? dacht ik een moment, terwijl ik, lui gestrekt, de ogen gericht hield op het door mijn slaapkamerraam omlijste stuk luchtruim. Dat was mijn laatste gedachte die nog rechtstreeks wortelde in 't verleden. Door mijn slaap was ik nog even teruggezakt in het naieve vertrouwen op de wetmatigheid van de natuur. Het waren geen vliegers, het waren geen vogels, ook geen vleermuizen of vliegende vissen, ook geen voorwereldlijke pterodactyli of archaeopteryxen. De wezens, die nu het luchtruim doorzeilden, doorfladderden en doorkliefden waren op aarde nooit geweest, zij leken als afgezet door een in de nacht gepasseerde planeet.

Ik sprong aan 't raam en knielde daarvoor neer. Nu kon ik zien.

Geen enkel beest was gelijk aan een ander, rassen bestonden bij hen blijkbaar niet. Zij vlogen op kleurige, flonkerende vliezen, sluiers, tapijten, ook op vlokken schuim, die ze zelf produceerden. Sommige kwamen van ver en vervolgden hun koers naar ver alsof ze op reis waren, andere bleven heen en weer dartelen, bleven een tijdlang doodstil op een vaste plaats. De meeste indruk maakte op mij een heel groot gevleugeld, naar beneden gericht oog, dat boven de kerk als het ware voor anker ging en het onder hem liggend Rijssen een hele tijd bleef aanstaren. Aan 't eind hiervan hees het oog een zeil en voer heen.

Er waren ook, die als sneeuwvlokken recht van boven kwamen en ook weer loodrecht wegklommen uit het gezicht, als om hier even een kijkje te hebben genomen. Eén daalde vlak naast me neer in de dakgoot, vervloeide daar, stroomde door de regenpijp uit op straat, hernam daar zijn vorm en bleef zitten, zijn tong voor zich neergelegd in de vorm van de tafels van vermenigvuldiging.

En dit alles gebeurde bij klaarlichte zonneschijn, 's morgens vroeg om half acht.

En beneden mij, in de straat waren ook overal wezens, kruipende en zacht vooruit vloeiende wezens en ook heel veel die stil zaten op een stoep of op een vensterbank of zo maar tegen een gevel aan met een onverstoorbare, beangstigende zekerheid, het echte zitten van de bezitter.

Neen, de wereld was niet meer van ons. Rijssen was niet meer van de Rijssenaren.

En de Rijssenaren zelf? Nu lette ik voor 't eerst op hen. Zij deden als anders, er was niets aan hen te merken. De Lange met zijn groentekar belde juist beneden bij mij aan, bij Eeftink aan de overkant was Naatje bezig de ramen te lappen, de meid van Meester Wingerdhof, een paar huizen verderop, schrobde de straat en ik zag hoe zij voorzichtig om een groen soort poes heenschrobde. De andere mensen zagen het dus ook.

Waar haalden zij dan de kracht vandaan om hun dagelijks werk te doen alsof er niets aan de hand was? Uit hun schrik. Hun schrik hield hen in 't spoor. Eén gil en alles zou in 't honderd lopen, dat voelden zij en daarom wilden ze niet zien, ik was er van overtuigd, dat niemand ook maar met één woord iets aan de medemens liet merken, het dagelijks leven werd met stroef geweld gehandhaafd. Dit alles meende ik van boven te zien in het strakke van hun gezichten.

Ik schoot vlug mijn kleren aan en snelde naar Hendriks. Wij waren niet zo. Op mijn trap en in de kamers ontmoette ik niets bijzonders, de wezens gingen dus blijkbaar de huizen nog niet binnen.

Hendriks was er al op uit geweest.

‘Dwars over de Boomkamp loopt een scheur in de grond van wel vijf meter breed en zo diep, dat je geen bodem kunt zien. Als je naar 't station wilt moet je helemaal de Haar over en bij de gasfabriek om. Willem Westrink—directeur van een obscuur fabriekje in de buurt—die voor een of ander zaakje met de eerste trein naar Amsterdam moest, is er met auto en al in verdwenen, hals over kop er in, komt nooit meer terug. Ze hebben er nou borden bijgezet.’

Hendriks was bleek, hij sidderde. Ik vertelde hem mijn overdenkingen van de vorige avond, maar zij maakten geen indruk.

‘Ik voel mij ontworteld’, zei hij, ‘erger nog, als een blad, dat geen contact meer heeft met zijn boom.’

Om hem wat af te leiden, liet ik hem het beest zien met de tong in de vorm van de tafels van vermenigvuldiging, het zat vlak voor zijn raam. Het was nu aan 't rekenen met zijn tong, het stroomde optellingen en aftrekkingen er mee op een grote platte veldkei. Het rariteitenkabinet was nu niets meer waard geworden, daar kon het museum niet tegen op. Dit besefte Hendriks, het maakte hem triest.

 

Ik ging naar buiten om eens poolshoogte te nemen. Overal hetzelfde mensenbeeld. De kaken stijf op elkaar geklemd en de blik gericht alsof ze wilden zeggen: Geen woord in Godsnaam.

En dan overal die wezens. Sommigen hadden al een flinke hoop drek onder zich gevormd, die zaten er blijkbaar al een tijd. Ik zag nergens dat zij de mensen lastig vielen, 't enige was: er kwamen er steeds meer. Ik ging ook naar de scheur in de Boomkamp, de aarde was daar werkelijk over een grote lengte vaneengeweken. Toen ik me voorzichtig voorover boog om in de diepte te kijken, kroop er juist een geweldige salamander uit op. Tussen twee trouwhartige blauwe ogen droeg hij op zijn kop een kuifje, maar toen ik nader toekeek zag ik, dat het een klein model was van een chevrolet fourseater, zoeen als aan Westrink had toebehoord. Was hij het misschien zelf in zijn ware gedaante? Zijn buik hing vol met rijksdaalders aan een draadje, die, als hij voortkroop, de grond raakten en dan met elkaar twinkelden en rinkelden.

Ik dacht er niet aan gewoon naar mijn werk te gaan, zoals de andere Rijssenaren, mijn standpunt stond al van de vorige avond vast; van alle mensen die ik kende, was ik het minst onderhevig geweest aan de gewone bestaanssleur en mijn angst werd min of meer in evenwicht gehouden door een soort duivelse vreugde, dat het nu eindelijk eens heel anders ging dan de brave burger wou. Wel was ik natuurlijk ontzettend nieuwsgierig en ik besloot buiten de kom te gaan kijken of ook de velden en wegen bedekt waren met deze vreemde bezoekers, want als dat niet zo was, ja, dan was het toch waarschijnlijk om de mensen begonnen.

Ik wilde de Lichtenbergerdiek uit gaan, maar op de Haar, de weidse entree- weg van Rijssen, waar de huizen, haast alle meteen kleine boerderijen, zo ver van de straat af staan, dat ze elk voor de deur een plein hebben, ontmoette ik het eerste geweld.

Er kwam een suizen en een vertroebeling van atmosfeer door verre, machtige opwaaiing van stof, er kwam een ritmisch naderen van lucht, ik stond opeens in een zuiging van geluiden. Daar kwam het al bij bakker Ten Berge de hoek omgieren, een klont leek het eerst, een woedend voortvarende klont. Ik sprong opzij en op hetzelfde ogenblik was het ook al langs me heen, zo snel joeg het voorwaarts, achter zich latend een streep van jammeringen, van door hoeven geslagenen en door 't zwaard geraakten. Want in die ene flits had ik gezien, dat het geen klont was, het was een gewriemel van vormen en kleuren, het waren mannen te paard, samen jagend als één; grote, geweldige mannen. Niet bovenaards groot, het konden nog mensen zijn. Een van de mannen hieuw met zijn zwaard naar links en rechts en onder zijn paard, een ander slingerde boven zijn hoofd een groot geel ding in 't rond, dat was een weegschaal.

Er was geen hoefgetrappel bij, de grond werd niet geraakt, een van de paarden was bloedrood.

Verbluft bleef ik staan, verbluft wankelde ik naar een boom, verbluft hield ik me daar leunende.

Nu wist ik. Het waren de apocalyptische ruiters! Wij stonden aan de ochtend van de jongste dag.

 

Dus toch!

Zij hadden dus toch gelijk, de mannetjes met de steile hoedjes, de smalle boordjes en de droge gezichtjes, die dit eeuwenlang van hun kanseltjes hadden verkondigd. Nou brak mijn klomp. Dit was wel het laatste wat ik ooit verwacht had. Maar er was geen twijfel aan, het hele orthodoxe apparaat was in werking.

Nu was het mijn beurt, bang te worden, hier was ik niet in 't minst op voorbereid. Met de hogere machten van 't vrije veld, die ik altijd voor de ware had gehouden, meende ik wel aardig op goede voet te staan, maar wat er in de kerken werd gepredikt, daar had ik me nooit veel om bekommerd. De meeste Rijssenaren stonden er nu plotseling heel wat beter voor dan ik om nog niet eens te spreken van hen, die met gerust hart en opgeheven hoofd de afloop van deze dag tegemoet konden zien, 'n Gaanznboer, Kwintndieks, Jenneken van Jaansgeeze, die heel hun leven hadden ingericht naar deze dag. Stuk voor stuk zouden wij straks worden gearresteerd en ter verantwoording geroepen en wat zou mijn houding zijn als de beurt aan mij kwam? Waarmee zou ik me kunnen verontschuldigen, wat kon ik aanwijzen? Dat ik meer dan ieder ander genoten had van 't mooie weer? Ik zou zeker verwezen worden naar het rijk van weninge en knersinge der tanden. O, wat schaamde ik mij nu over mijn verwatenheid, dat ik gemeend had in mijn eentje tegen zoiets wereldomvattends als het geloof in 't Evangelie te kunnen optornen met wat ik meende te zijn 't gezond verstand of 't gezond gevoel. Ik besloot naar huis te gaan en daar het noodlot af te wachten.

Het besef van wat er gaande was begon zich onder de mensen te verbreiden, ook anderen hadden de woeste ruiters herkend en daarvan mededeling gedaan. Het duurde maar even of de dagelijkse sleur was voorgoed vernietigd. Niemand deed nu meer gewoon.

De vreemde wezens, die tot dusver volkomen lijdelijk waren geweest, zo zelfs, dat ze zich door honden lieten besnuffelen, begonnen nu meer los te komen, al werden ze nog niet bepaald agressief. Sommige gingen op de plaats heel hard om hun as draaien als een tol, af en toe vloog er dan sap af, dat, als het iemand raakte, hevig stak, andere verplaatsten zich tegen de huizen op en gingen door de ramen naar binnen kijken. Was het hun bedoeling de mensen ook in hun huizen angst aan te jagen of wilden ze zien hoe de verschillende mensen zich in deze bijzondere uren gedroegen?

Dat was wel de moeite waard. Als mensen ooit hun ware karakter hebben ontbloot, dan was het nu. Waardigheid was plotseling overgegaan op anderen: daar liep Stoetnderk, de petrolieman, hij schreed, niets kon hem deren en terwijl notabelen, hun leven lang geacht, nu her en der strompelden en hun heil zochten in het verscheuren van hun kleding of het opeten van allemaal lekkere dingen, beurde hij een door het apocalyptische zwaard getroffene op en droeg hem de coöperatie binnen. Ikzelf, waar was mijn houding? Stoetnderk keek mij aan en er was minachting en medelijden in zijn blik. En ouwe Jan Vos, de tuinman, met zijn haakneus, die meestal nog geaccentueerd werd door een druppel en altijd een voortzetting scheen te zijn van zijn door spitten krom geworden rug kwam naar me toe met de wijsvinger, ook al krom, in de hoogte gehouden: ‘Non geet 't gebuurn menéér, vie zint lange genog ewoarskouwd. Ie ook!’ en het leedvermaak vlamde daarbij uit zijn venijnige oogjes.

Bij de Peije zag ik door het raam, hoe het hele gezin rustig om de grote tafel zat, luisterend naar de vaste, manlijke stem van de rechtschapen wagenmaker, hoe hij voorlas. Ik bleef staan.

‘... en de zon werd zwart als een haren zak en de maan werd als bloed en de sterren des hemels vielen op de aarde.’ Hij las uit de Openbaringen. Verderop was een waarlijk heidens kabaal. Dat kwam uit het huis van de Zaandkoning, wiens grootvader een voorbij trekkende zigeuner was geweest en het zigeunerbloed was nu bezig de hele inboedel af te breken. Zingend en tierend danste het hele gezin tussen vliegend vaatwerk en vallend meubilair door. De oude Zaandkoning sloeg met een bijl de poten onder 't grote kabinet vandaan en riep daarbij: ‘Ik vel mien kabinet, ik vel mien kabinet!’ Al gauw was de hele inventaris niet meer dan een grote hoop scherven en planken. Nu gaven de zandkoning en de zandkoningin, de zandprinsen en -prinsessen elkaar de hand en in een eentonig maar opzwepend ritme gingen ze springen en stampen op die hoop onder het aanhoudend uitbrullen van: ‘De hele boel tot moes! de hele boel tot moes!’ Af en toe kòn iemand niet meer, daalde dan van de vernielingsberg af en ging even zitten, tranen liepen over het stoffige gele gezicht. Ik kon niet zien of het tranen waren van lachen of van geluk.

Niemand bekommerde zich om dit bedrijf, ik was de enige toeschouwer en het kietelde mijn geest.

Bij het notariskantoor stonden drie oude mannetjes, hoge zwarte petjes op, teleurgesteld met elkaar te praten. Zij hadden nog gauw hun testament willen maken en nu was de notaris er niet. Af en toe ging er een en rammelde aan de knop van 't kantoor.

Slager Mekkelhorst stond in de deur van zijn slagerij en wenkte mij geheimzinnig. Of ik een halve koe van hem cadeau wilde hebben, hij zou hem wel laten bezorgen. Hij had mij altijd zo graag mogen lijden en de oude meneer ook en ik had nog nooit wat van hem gehad. Hij hing op de ladder, 't was een hele mooie. Ik zei dat ik geen raad wist met een halve koe voor mij alleen. Toen pakte hij een muis rookvlees en een grote plockworst uit zijn winkel en duwde die met geweld onder mijn armen. ‘Nemt disse dan menéér, dan hei'j toch wat, ie keunt ter mangs umme verlééng zitn. Nemt se met menéér, van Mekkelhos’ en daarbij trachtte hij vergeefs aan zijn rode speknek een welgevallige houding te geven. Het goeddoen stond hem niet, het maakte hem weerzinwekkend.

Op het Schild zag ik 'n Bössel, een van de stadsgekken, die al meer dan tien jaar lang elke dag de straten liep af te zoeken naar stukjes gebruiksvoorwerp. Achter zijn huis had hij er een hele belt van. Nu was hij bezig een grote padde, die een oor had met een kalken pijpje er achter, na te jagen. Hij was niet bang voor het bovenaards gedierte, hij verwarde ze met de beesten uit zijn verbeelding.

Bij de herberg op 't Schild was druk geloop met maatjes jenever. In de smalle weegte tussen de Hoge Stoep en Kronejan stonden stilletjes twee jonge mensen. Zij benutten het laatste om elkaar nog gauw hun liefde te verklaren, twee figuren van zoete en smartelijke emotie, die ik in 't voorbijgaan een ogenblik te zien kreeg.

Bij Eeftink, mijn overbuurman, de drukst beklante winkelier van Rijssen, klonk psalmgezang om 't orgel. Het hoofd van de grijze grootmoeder, zichtbaar aan de heldere knipmuts, deinde op de maat mee. Alleen de baas zelf was er niet bij, die zat op zijn kantoortje met veel papieren om zich heen koortsachtig te schrijven. Ik wist wat hij deed. Hij maakte tussentijdse balans om te weten hoe ver hij 't nog in deze wereld had gebracht. Woekert met Uw talenten! was voor hem de zin van het geloof.

Zo waren ze allen bezig op hun manier en zij werden zo sterk gedreven in wat ze nog wilden doen, dat niemand meer op een ander lette; te midden van de grote onzekerheid, waarin allen zo plotseling waren gedompeld, hield iedereen nog dubbel vast aan het richtsnoer van zijn leven.

 

Terwijl ik middenin de straat daarover nog stond na te denken betrok opeens de lucht, niet door wolken, maar door een sluier. Een zwarte sluier lag boven mij, zover ik zien kon. Als plotseling uitgekristalliseerd.

Meteen verstomde het getjilp van mussen en spreeuwen, zij zochten beschutting in dicht gebladerte, kop en pootjes in eigen dicht gevederte. Ik schoot gauw mijn huisdeur binnen.

In de kamers was op 't oog niets veranderd, alles stond nog onaangeroerd in het getemperde licht, alleen: niets was meer wat waard. Het was als in de salon van een zinkende oceaanstomer, het kostbaarste niets waard.

Ik snelde naar boven, naar mijn dakkamertje om te kijken, ja kijken wilde ik naar wat er ging gebeuren, misschien was dat toch ook wel de voortzetting van mijn levenslijn, kijken naar alles wat er op aarde is. Uit mijn raam kon ik half Rijssen overzien en een heel stuk horizon. Ik vergat mijn onrust en mijn angst er door, het werd zo ontzettend interessant.

 

De sluier hing uitgespreid over het hele stadje, veel verder, over de Esch, de Vriezenberg, de sluier scheen universeel. De zon was er duidelijk doorheen te zien en niet als een haren zak, zoals er staat in de Schrift; het zonlicht werd gezeefd, het ging krieuwelen over de dingen.

Beneden waren de bovenaardse beesten nu druk aan 't verspringen. Het was duidelijk te zien dat sommige een lichtend zitvlak hadden, terwijl ze sprongen ging er in plaats van een schaduw een lichtplek met hen mee, waar ze ook steeds weer precies op terecht kwamen.

De sluier boven ons werd steeds dichter en opeens weerklonk het, zo machtig alsof de zon tot luidspreker geworden was en in het zuiverste Nederlands: _Siddert gij zondaars! Houdt U gereed, gij die rein zijt!_

Dit was het sein tot grote manoeuvres, want nauwelijks waren deze klanken weggestorven of, ik zou zeggen, recht boven de molen van Rosman opende zich in de sluier een groot vierkant luik en daardoorheen was het of ik in een brandende oven keek, zo'n felle wemeling van rood, geel en blauw was daar. Uit het gat kwamen vlammetjes naar beneden dansen, zich losmakend van 't vuur, neen, het zijn geen vlammen, het zijn rozen, losse rozen en guirlandes van rozen en in losse blaadjes uiteenvallende rozen, steeds komen ze lager, al die neerdwarrelende rozen zijn samen als een hangende pilaar van levend licht. Als ze nog dichterbij komen zijn het eerder blaadjes van appel- en perebloesem en verspreiden ze zich zo talrijk als bij een rukwind in een bloeiende boomgaard.

Maar ook dat zijn het niet, het zijn engelen, drommen engelen met loswapperende rokken, met zachte, spitse vleugels en haren van donker goud, die tuimelend op Rijssen afkomen en maar heel af en toe een wiekslag doen.

En terwijl ik er een volg, die afdwaalt in haar vlucht, zie ik opeens, meer naar 't oosten een tweede gat, waardoor 't naar binnen stort, maar hier geen vlammend licht of rozeblaren, veel eerder koffiedik, dat uit een tuit stroomt, een dikke straal van drab, die zich naar beneden oplost in glinsterende zwartigheid en nog dichter bij in sprinkhanen en duivels, schorpioenen en monsterlijke torren, bepantserde gediertes met in handen en poten of als een uitgroeisel aan zich vast stroppen en sabels, ladders en eierklutsers, pieken en bootshaken en geweldige blikopeners, een hellebaard voor zich uit of een zaag onder zich door.

En naarmate zij zich verspreiden worden de door de engelen zo pure vakken van 't luchtruim vertroebeld en tegelijk overstraald door metalliek geflikker. En nu strijken ze neer, ze scheren langs mijn raam, ik treed terug in het donkere van mijn kamertje. De engelen dalen in de straten en gaan de huizen binnen door de voordeur, de duivels landen in de bomen en op de daken en dringen binnen op de plaats waar ze toevallig terecht zijn gekomen, gooien een paar pannen naar beneden, breken het dak open en verdwijnen dan door 't gat.

 

Nu wordt het mij benauwd om 't hart. Ze gaan ons mensen halen, engelen en duivelen beide, daar hoor ik al aards gesteun en onaards hoongelach. Elk ogenblik kan ik boven mijn hoofd het uitbreken van een dakspant verwachten. Mijn hele persoonlijkheid is een bleek, sidderend vliesje, ik kronkel mij van angst, ik wring mij van angst.

Toen... kreeg ik een geniale gedachte, de enige geniale gedachte van mijn leven. Het is veel, wanneer iemand van zijn eigen gedachte durft te zeggen, dat ze geniaal is, ook al is het maar één keer, en toch durf ik dat. Geniaal is toch wel een gedachte te noemen, die los staat van al het vroeger gedachte en waaraan uiterst belangrijke en voorlopig nog niet te overziene gevolgen verbonden zijn. Zo was de gedachte, die ik kreeg.

Zou niet, evenals in de gewone aardkorst door uiterste druk plotseling een diamant kan ontstaan, in een gewoon sterveling door uiterste druk een geniale gedachte kunnen worden gevormd? Dat dit zo is heb ik aan den lijve ondervonden.

Wat was dan wel die geniale gedachte?

Ik herinnerde mij plotseling, dat ergens op zolder nog een kist moest staan vol oude bal-masqué pakken uit mijn studententijd en dat daar ook een duivelspak bij was.

Is dat nou alles?

Ja, dat was alles, zo stom eenvoudig en zo oneindig in zijn consequenties. Ik sprong bijna dwars door de deur van mijn kamertje heen, zo snel hem openend, stortte mij tussen kisten en koffers, rolde ze, schoof ze, sjorde ze, liet ze dompen en kantelen tot ik hem had, de kist, en toen weer graven en graaien tot ik het had, het pak. Ja, daar was het.

Ik snelde er mee in de donkerste hoek van de zolder, stroopte mijn burgerkleding af en wierp mijn lijf er in, trok de kap met de twee horentjes nog net over 't hoofd.

Het was de hoogste tijd, er werd een dakraam geopend. Al durfde ik niet te kijken, ik verschool mij niet, ik deed alsof ik zocht, alsof ik ook naar mensen zocht die zich op hun zolder verstopt hadden. Het duivelse wezen, want dat was het, liet zich naar binnen glijden en ging zonder zich om mij te bekommeren de zoldertrap af naar beneden. Bij mijn omkijken zag ik in het trapgat nog even wat op zijn kop het uiterste was, een dingetje van haar of van hoorn. Hij moest me hebben gezien—ik had expres wat gestommeld—maar moest gedacht hebben: hier is al een bezig, ik zal maar een verdieping lager gaan. Dit was genoeg voor mij. Nu wist ik: de duivels beschikten niet over de alwetendheid van hun hoge zendheer, het waren slechts werktuigen, het waren ordinaire geesten, men kon ze voor de gek houden.

Het beste zou zijn om maar in het schemerduister te blijven rondscharrelen, net zo lang tot alles voorbij was, tenminste wanneer niet mijn huis door scheuren of trillingen van de grond, door mokerslagen of brandstichting ineen zou gaan. De sinds jaren daar weggestouwde rommel gooide ik flink overhoop, ik maakte er een soort berglandschap van, waar ik altijd maar in kon blijven rondzoeken. In een mand met oud speelgoed vond ik nog een zwartepietspel met een paar aangebrande kurken en terwijl ik me daarmee zwart maakte vatte ik dit op als een symbool en kwam er een bepaalde gerustheid over mij: nu zou ik wel als laatste overblijven. Ja, het inwendige sidderen hield op.

Ik zette mij in afwachting neer op een kist, klaar om bij het minste onraad weer in de opstapelingen weg te duiken. Langer dan een dag zou 't niet mogen duren volgens de profeten.

 

Als er vroeger kermis was en je begon het feestterrein te naderen, die lawaaizuil van gejoel en getoeter, gebel, getsjingel en draaiorgelspel, dan kwam er in je wezen een machtig aandrijvend ritme, je diepste diepte kwam in deining en de drang om ook zelf je te storten in die opgewonden massa werd onweerhoudbaar.

En zo was het ook nu. Naarmate de kracht en de schrilheid van de geluiden toenamen, naarmate ik voelde, dat het lawaai mijn huis hoe langer hoe dichter begon te omringen, kon ik daar niet meer op die kist blijven zitten in mijn eentje, afzijdig van het massale gebeuren.

Zou ik het wagen, weer de voorpost op mijn kamertje te betrekken?

Wel was ik nog niet geheel onherkenbaar—aan mijn voeten had ik menselijke schoenen—maar wie zou in deze heksenketel nog letten op zulke details. Ja, ik ging weer aan het raam.

De lucht voor en boven mij, de hele dampkring, scheen vervuld van een stil maar machtig laaisel en de gloed ervan belichtte de dingen aan alle kanten, drong tot in de nauwste hoeken en weegten door, waar ik op neer keek was een wereld zonder schaduw, als had de zon zichzelf vervluchtigd. Ook in de hoeken van mijn kamer en op de zolders, anders zo donker, was bovenaardse klaarheid, ik zag daar balkentekening die ik in al die jaren nog nooit had gezien.

In de Grote Straat en de zijstraatjes beneden mij en ook op 't Schild was een woeling en branding van gestalten en te midden daarvan plekte hier en daar een engel als een blank eiland van heil, een heileiland. Vele miserabelen schoten daarop af in hun uiterste nood, klampten zich vast aan rokken en vleugels, maar als het gedrang dan te hevig werd en de engel daardoor zenuwachtig, deed zij ze met snelle vleugelslagen van zich af en als dat niet lukte verhief ze zich even in de lucht en kwam een eindje verder weer op de grond.

In het dichte gewoel van ontvluchting en achtervolging, van beetpakken en zich losrukken, ontdekte ik opeens slager Mekkelhorst. Hij liep op handen en voeten voort als een varken, bloot als een bigge en in zijn vette rug staken zes messen bijna tot aan 't heft erin, drie in elke zij. Achter hem aan liep een troepje demonen en vermaakte zich ermee, ringen om die messen te werpen, maakte hem tot een wandelende Amerikaanse hoepla. Het merkwaardigste was dat hij niet bloedde.

En ook anderen, velen, liepen rond met een piek of een zaag in hun lijf of met een stuk ledemaat nog slechts nauwelijks aan hen vast—meermalen herkende ik ze, ik zal geen namen noemen—maar nergens zag ik bloed.

En evenmin zag ik mensen dood of bewusteloos, al sprongen ze in angst ook van boven uit de ramen, al werden ze in 't gedrang ook nog zo onder de voet gelopen en vertrapt, het bleef maar altijd leven en krioelen.

Met mijn zakmes, dat ik toevallig nog kort geleden door Hendriks had laten slijpen, maakte ik een sneetje in mijn hand. De pijn was als anders, maar verder leek het of ik in elastiek sneed, er kwam geen bloed. Ondanks mijn vermomming stond ik dus wel degelijk onder de jongste dag. Wij waren onsterfelijk geworden, wij hadden het eeuwige leven.

Leven was 't voor velen al niet meer te noemen, in leven zijn eerder, lijden. Wat schoof daar door de straatgoot? Een grote zwarte slang, maar in plaats van een opgeslokt vreemd lijf binnen in zijn buik had hij een vreemd lichaam om zich heen. Ha, Hendrik Jan Wegerink uit Rectum was het, die ze de Pinneboer noemden, de grootste duitendief uit de hele omtrek. De slang was hem van achteren ingekropen en voor door zijn mond er weer uit en nou moest Hendrik Jan Wegerink meekronkelen over 't plaveisel en als een engel er in de buurt kwam moest hij meerollebollen en zich maar laten wringen tussen de harde koude schubben want dan begon de slang te steigeren en kronkelde zich als een worm waar op getrapt is.

Ik had geen medelijden met hem, ik wist wat hij door zijn geldzucht anderen had aangedaan, ik stond achter die slang.

 

Neen, ik stond niet buiten deze jongste dag. Dat woeden van aardse en hemelse krachten, die heftige mengeling van kleuren en vormen, die uitzinnigheid van het verloste en de vertwijfeling van het verscheurde deelden hun wildheid aan mij mede en hoe meer ik zag wie het waren die gejudast werden en wie het waren, die zich onder het vrijgeleide der engelen een weg mochten banen, des te meer sloeg mijn wildheid over in enthousiasme, want die het te kwaad kregen waren de beroerden, de rottigen, de lui, waar ik een hekel aan had, maar de mensen waar ik van hield, hun werd geen haar gekromd. Ja, het was een goede zaak, het was een eerlijke zaak, deze hokus- pokus, wie ook de verkondigers ervan waren geweest.

Ook hier werd het mij onmogelijk rustig te blijven zitten; als door een maalstroom werd ik meegetrokken, de trap af en de straat op en vóórdat ik er erg in had stond ik midden tussen het gebeuren.

Niemand kwam op mij toe, niemand deed iets tenzij uit hoofde van gedrang, ik kon mij vrijelijk bewegen, niemand had mij in de gaten. Alleen een oude satan met een vieze slierbaard en een rij decoraties keek naar mij met iets van argwaan in zijn ogen. Om alle twijfel bij hem weg te nemen, gaf ik maar gauw een schop tegen een verdoemde binnen het bereik van mijn voet. Het was mijnheer Hombrink, kwaadspreker en oude zeur, die nu aan een ketting om zijn tong werd voortgeleid. Hij had van mij ook allerlei lelijke dingen gezegd toen die ketting nog niet aan zijn tong zat.

Dat leek mij een goede truc en ik ging nu, wanneer een ongelukkige in mijn buurt kwam maar af en toe een klap of een trap uitdelen, of bespoog hem wat ik duivels ook vaak zag doen.

Vóór de sigarenfabriek van Spanjer zag ik, vertrapt in 't voetgewriemel, wat schitteren, een dolk. Ik schoof er heen, deed of ik hem zelf had laten vallen en raapte hem op. 't Gevest was van paarlemoer, het vlak van 't lemmet was aan beide zijden gevuld met sierlijk lijnenspel, het was een kunstwerk. Nu kon ik in 't voorbijgaan mooi mensen prikken of bekrassen, precies alsof ik bovenmenselijk was.

 

Met de hoofdstroom liet ik mij meevoeren naar 't Schild, het middelpunt van Rijssen tussen de kerk en het stadhuis, tussen hotel de Kroon, hotel Schutje en café Koenderink, van oudsher het brandpunt van Rijssen's gebeuren en waar nu ook het laatste bedrijf zijn hoogtepunt en ontknoping vond. En zoals onder zieden, puffen en borrelen een ruwe vloeistof in de distilleerkolf wordt gescheiden in het zuivere en in het drab—het zuivere ontvlucht naar boven, ijl en zwevend, de verontreiniging blijft op de bodem achter als donkere, trage massa—zo ook de Rijssenaren. Midden op 't Schild voerden twee wegen af van de aarde. Een naar 't zuiden, een brede baan van betreedbaar doek, zich verheffend en wiegend in de lucht, eerst boven de Elsenerstraat en dan veel verder, veel hoger, tot op wolkhoogte nog zichtbaar, aan 't eind onder een grote poort verdwijnend in blauw verschiet, de andere een tunnel noordwaarts, naar beneden onder de Boomkamp, overwelfd door 't huis van Kronejan, waaruit een metrolucht naar boven sloeg en waarin aan 't eind van een stuk dikke duisternis flakkerende verlichting zichtbaar was.

Op de stoep van 't stadhuis bleef ik op mijn gemak een tijd staan kijken. De hemelweg deinde onder de tred der goeden. Het viel erg mee, wel 60"%" vond genade. Van de kinderen zag ik er geen enkele verloren gaan, in grote groepen, met engelen er bij, die er voor zorgden dat ze niet te dicht aan de rand kwamen, die met haar vleugels hier en daar een veren hekwerk vormden, trippelden ze onder druk gebabbel opwaarts.

Men zou verwachten, dat op deze grens van mensen, die elkander nooit in aller eeuwigheid zouden terugzien, hartverscheurende tonelen zich zouden afspelen, dat er groepen zouden zijn die elkaar krampachtig hielden omklemd en die enerzijds door duivelen, anderzijds door engelen uit elkaar moesten worden gesjord. Dat viel erg mee. Zowel de goeden als de kwaden schenen in hun hart blij te zijn, dat ze voor goed van elkaar af waren. Een uitzondering maakten hierop twee beschonkenen, die elkaar onder lang aangehouden handdruk eeuwige vriendschap beloofden vóór ze ieder hun weg op tuimelden, de een tussen twee engelen in, de ander met zijn arm om de hals van een rechtop gaande kolossale kokerjuffer.

De meesten kende ik wel, ik had soms moeite mij in te houden, niet een gelukwens toe te roepen. Velen konden het nog maar niet geloven, dat zij de eeuwige zaligheid waren deelachtig geworden, hadden nooit gedacht dat het zo gemakkelijk ging. Een troep opgeschoten jongens en meiden wilde gaan hossen op de hemelweg en moest door engelen tot kalmte worden gemaand. Oude vrouwtjes liepen in verstild geluk, sommigen een kous breiend. Er bleek geen voorkeur voor een bepaald kerkgenootschap, alle gezindten waren vertegenwoordigd, ook joden waren er bij, zelfs een van de pindachineesjes, die in Rijssen waren blijven hangen zag ik met zijn trommel naar boven lopen. Hij bleef druk doorgaan met het aanprijzen van zijn pinda's—er waren er zelfs die van hem kochten—, door zijn Chinese opvoeding ontging de zin van het gebeuren hem ten enenmale.

Voor de verdoemden had ik niet veel over, zij hadden niet mijn sympathie en hun straf vond ik niet onrechtvaardig. Een paar waren erbij voor wie ik de enige was, die ze in de gaten had, zij waren door alle anderen geacht en als geschikte mensen beschouwd. Toen ik ze zag wegvoeren was ik blij over mijn scherpe blik. Ook Van Tarssenberghe ging er in. Nog maar twee dagen geleden had hij me met uiterste voldoening meegedeeld, dat hij zijn drie ontbrekende voorouders in de twaalfde graad had ontdekt. Zijn stamboom was nu van 1560 af compleet. Hij liep met een grote ring door zijn neus, als diep uit Afrika.

Ook uit de omtrek werden er velen aangevoerd, hier was het centrum voor de hele streek. Een boer uit Zuna ging de grot in met een in brand gestoken petje en diende als baak voor een hele rij boeren uit Notter.

En ik bedacht dat wat ik zag niet alleen in Rijssen gebeurde maar ook in Deventer, in Parijs, in China en Australië. Wat een organisatie, wat een personeel! De hemelse en helse gebieden konden geen kamers of zalen zijn, zoals ik me dat altijd had voorgesteld, maar waren hele aardoppervlakken, brandende continenten moesten daar beneden liggen.

De mensen die opwaarts gingen hielden elkaar veel bij de hand of omarmd, wisselden blikken van liefde en onderling begrijpen, zij die naar beneden gingen waren ieder op zichzelf, geen een zocht bij een ander steun in 't lijden, dat was een opvallend verschil.

Zij hoorden toe aan twee eigen systemen die niets met elkaar gemeen hadden, belichaamd in de engelen en de duivels. Er was dan ook geen sprake van samenwerking, een onderling opdelen van de mensenvoorraad, beide gingen volkomen hun eigen gang en waren lucht voor elkaar. Nooit werd een woord of gebaar gericht tot een van 't andere systeem en ik vond het wonderbaarlijk, dat ze beide de wil uitvoerden van éénzelfde opperheer.

Maar wacht even, wat zag ik daar! Gedoken tussen een grote schaar kinderen trachtte iemand op slinkse wijze de zwevende banen naar de hemel te betreden. Ik herkende hem op slag. Het was een raadslid van Rijssen, een man die door mateloze ijdelheid gedreven, de samenwerking en 't vertrouwen jarenlang met zijn intriges had ondermijnd, ja, die gelijk een harpij der oude Grieken onzuiver maakte wat hij maar even beroerde en die daarbij nog alle kerken van Rijssen beurtelings naar zieleheil had afgedregd. Ik haatte hem.

Met een duivelse lach sprong ik op, schoof de kinderen uiteen en met mijn dolk voor zijn bebrild muizegezicht schamaaiend sleurde ik hem weg. Hij beefde als een riet en liet zich willoos de donkere tunnel binnenvoeren. Om te maken dat hij zijn noodlot niet weer zou trachten te ontlopen ging ik een heel eind met hem onder de grond en gaf hem toen over aan twee monsters, hun beduidend dat ze hem stevig met hun poliepenarmen moesten omvademen. Zij deden dat.

Ik was nu aardig dicht bij 't hellevuur geraakt, de lucht werd verschroeiend en ik maakte mij met schrik bewust dat ademhalen in de hel niet meer bestond. Nooit meer een verkwikkende teug lucht.

Haastig zocht ik de uitgang en innig voldaan zette ik mij weer op de stoep van 't stadhuis om uit te blazen van mijn onderneming. En ik dacht na.

Is er zo'n scherpe scheidingslijn tussen de mensen, dacht ik, dat het altijd

moet zijn òf hemel òf hel? Zouden er nooit eens twijfelgevallen bestaan? Ik ken de mensheid toch als een homogene massa, wel met twee uitersten natuurlijk, maar toch niet als twee tegenover elkaar gestelde polen. Er moeten twijfelgevallen bestaan, er moeten gevallen bestaan waarbij een tikje zus of een tikje zo voldoende is, de schaal te doen overslaan. En zou ik, die in mijn vermomming al zo krachtdadig en met vrucht had ingegrepen, niet ook dat kleine tikje ergens kunnen geven? Dat moest kunnen! En trillend van opwinding trok ik de laatste consequentie uit mijn geniale gedachte: meedoen met de jongste dag. Op mijn eigen houtje genade uitdelen hier, verdoemenis daar, zelf plaats nemen op de hoogste rechterstoel, al was 't maar met het randje van mijn bil.

Even rilde mijn rug. Godalmachtig wat een waagstuk. Dit was een overtreding buiten alle voor mensen bestaande verhoudingen, als ik hierbij gesnapt werd was ik zeker van een uiterst wrede, van een geheel uitzonderlijke straf. Was het al niet erg genoeg dat ik met mijn duivelspak de dag des oordeels bedotte!

Maar dan: het avontuur, de driestheid van dit avontuur. In elk mens komen wel eens een keer gedachten op, die hij niet zo maar terzijde kan zetten, die bezit van hem nemen omdat zij ontspruiten uit zijn diepste wezen. Dit was er een.

Over het luide gewoel heen vatte ik in mijn ogen de vierkante houten kerktoren met de ommetrans, de dichte kastanjebomen, de gevel van het oude hotel, dingen waar ik vertrouwd mee was als met mezelf en 't was of ze dachten: wanneer jij je nog op ons bezint, bezinnen wij ons weer op jou. Ik voelde een stroom van sympathie van die grote dingen naar mij uitgaan, ik voelde mij als in een van de extasen uit mijn jeugd: ik werd gedragen door de dingen. God was mijn grote broer, mijn kameraad, geen kwaad kon mij gebeuren.

Ja, ik moest meedoen, ik zou meedoen.

Maar waar het eerst, wie het eerst? Kende ik zo'n dubieus geval? Ja natuurlijk! Zij! Dat ik aan haar de hele dag nog niet gedacht had.

Ik was vrijgezel, maar daarom was ik in Rijssen toch niet geheel en al vrij van gezelligheid.

Haar man was bij de spoorwegen en zag al heel gauw na hun huwelijk in haar niets meer dan een goede huisvrouw. Wij kwamen elke week een keer bij elkaar, we hadden dat beiden nodig, niemand wist er iets van. Vooral wanneer ze ontrukt was aan het dagelijkse van haar leven had ze ogenblikken van grote schoonheid.

Mensen worden niet ouder, elke leefperiode komt als een aanslibsel over de vorige heen, maar van het vorige gaat niets verloren en de mens behoudt het vermogen te zijn wat hij geweest is wanneer de omstandigheden dat vragen. Bij mij was ze veel jonger dan bij haar man.

Zij leefde dus in zonde en ik was daar de oorzaak van, ik moest haar zien te redden.

 

Toen ik mij een weg had gebaand door de allerdichtste drommen merkte ik met ontzetting dat zich een soort kwal had vastgezogen op mijn schoen, op het enige aan mij dat niet vermomd was. Ik ontdekte hem juist ter hoogte van een grote schuurdeur, zo een, die ze in Rijssen niendure noemden, waar paard en wagen doorheen kon, en in een plotselinge felle reactie trapte ik hem daartegen te pletter tot een groot rond, alzijdig uitstralend plakkaat. Vlug liep ik verder, ik was bang voor dat plakkaat.

In de straat zag ik Skoapnjanwilm. Hij werd weggeleid door een wezen, geheel bekleed met schubben en baarden, onder elke schub kwam een baard uit. Zijn ogen zaten boven op de schubben, heel gek. Ik liep een eindje met hem op en hoorde hoe Skoapnjanwilm het gedrocht aan 't bekeren was.

Eens terwijl hij turf groef in 't Markelose veen, sloeg vlak naast hem de bliksem op een rikpaaltje en van die dag dateerde zijn onafgebroken bekerings- en vermaningswerk. Overal om zich heen ontdekte hij zonde en onverschilligheid jegens God. Zijn huisgenoten maakte hij daarmee het leven tot een hel.

‘Doar is méér éne liefde’, hoorde ik hem zeggen in zijn met kanseltaal doorregen Rijssens, een vinger tot het monster, dat hem aan een touw hield, opgeheven, ‘dat is de liefde Gods, die ons beskarmt in alle eeuwigheid. Die liefde te verkriegen, doar motten wie op oet wèzen!’

Zijn geleider reageerde met een zonderling beweeg, alsof hij onder zijn schubben op al zijn baarden kauwde.

Het kostte mij moeite dit unieke tweetal te laten schieten, maar ik moest verder, naar het kleine huisje, dat ik zo goed kende.

Daar zag ik al de vrolijke helderrode pannen, de ramen met de angstig afgepaste, propere gordijntjes. Er was niets aan gebeurd, het dak onaangeroerd, de deur nog dicht. Vol hoop en vrees tegelijk deed ik het hek open, sloop om 't huis en ging de keukendeur binnen. Niemand. Ik doorzocht alle kamers. Niemand.

Diep teleurgesteld viel ik op een stoel neer. Dit was een tegenslag, de eerste tegenslag vandaag.

En die impuls dan, die machtige impuls toen ik daar zat op de stoep van 't stadhuis, was dat dan maar een spelletje geweest, zo maar voor de aardigheid? Zulke dingen hadden mij vroeger nooit bedrogen, het waren bijna tastbare aanwijzingen geweest.

Maar daar was toch nog die kleerkast met in zijn achterwand een deur naar een tweede diepere kast onder de trap, waarin ik zelf al eens een hele nacht was weggeborgen toen haar echtgenoot een keer onverwachts terugkwam. In die kast kon ze nog zitten.

Ze zat er. Toen ik de kastdeur opende zag ik een ineengekronkelde hoop angst, vormeloos weggedrukt in een hoek met als enige duidelijk sprekende dingen haar ogen, die naar mij opzagen, in de grootste spanning wat ik zou doen. Voor wat ze met mij als mens had gezondigd onderging ze nu de diepste angst voor mij als duivel.

Even genoot ik van dat naar mij opzien, dat spieden naar mijn geringste beweging, in die angstaanjaging was iets van een volmaakt bezitten. Voor het eerst van mijn leven ondervond ik machtswellust.

Mijn medelijden werd al gauw te groot, ik trok mijn gezicht in de meest geruststellende plooi en lichtte 't masker af, maar de uitwerking ervan was heel anders dan ik mij had voorgesteld.

‘Dus jij bent de duivel’, sprak ze, als uit een diepe droom ontwakend, ‘ik had het kunnen weten, zoals jij praatte, dat was niet als een mens. Dan heb ik geleefd met de duivel. Dan ben ik een heks!’ en de ontzetting voor mij groeide tot ontzetting voor zichzelf.

Het kostte mij de grootste moeite haar weer tot bedaren te brengen, ik vertelde haar uitvoerig de ontwikkeling der dingen, hoe alles begonnen was en hoe op 't ogenblik de zaken in Rijssen stonden. Naarmate ik vertelde kalmeerde ze, zij zag het in, toen ik aan mijn krijgslist kwam lachte ze zelfs weer en zoende mij en toen ik haar het plan om haar te redden ontvouwde werd ze blij en weer vol moed.

Maar het besef, dat we hier nu ons laatste samenzijn doorleefden stemde ons toch weer droevig, wij spreidden alle kleren in de kast op de grond uit en troostten elkaar met de diepste troost die een man en een vrouw aan elkaar kunnen geven.

Lang mochten we zo niet zijn, er moest gehandeld worden. Het eenvoudigste leek me hier het beste, ik zag geen kans om haar ergens ongezien op de zwevende loper des heils omhoog te beuren en als verstekeling tussen een transport begenadigden leek mij te gewaagd, nee, ik zou haar als van hogerhand opgehaald door de straten voeren tot vlak voor de plaats van de opgang, daar zou ik haar plotseling de rug toekeren en zij moest dan maar, als gold het de gewoonste zaak van de wereld, naar boven wandelen, doen alsof haar neus bloedde.

Zo deden wij. Zij maakte haar haren loshangend, ik omwikkelde daarmee mijn vuist en terwijl wij zo speelden dat ik haar voortsleurde—zij met het gezicht naar de grond, ik met zelfbewuste, triomfantelijke houding—begaven wij ons naar buiten.

Het was aanmerkelijk stiller geworden, niet alleen dat er natuurlijk al heel veel Rijssenaren weg waren, ook van de andere wezens waren er veel minder. Van de vreemdsoortige gedierten, die in de morgen zo dicht waren neergestreken was er bijna geen enkele meer. Misschien was het ook wel zo dat de jongste dag niet voor de hele aarde op de zelfde datum viel, dat wij hier te maken hadden met een rondreizende troep.

Onze tocht verliep voorspoedig, wij werden nauwelijks opgemerkt. Af en toe liefkoosde ik haar, dikwijls had ik gezien dat vrouwen door die gedrochten gekweld werden met intieme toenaderingen van hun weerzinwekkend lijf.

Eén keer hadden we een hachelijk ogenblik. Dat was in 't Smittenend, waar het tegen de hoogte op gaat. Twee duivels, in de mening, dat zij een beetje al te veel tegenstribbelde wilden mij een handje komen helpen. Met een gebaar van: laat maar, ik kan het alleen wel af, stelde ik hen gerust. Het angstzweet brak me daarbij uit.

Op het Schild was het toch altijd nog druk, het was als tegen het eind van een kermis, alleen bij de voornaamste vermakelijkheden is dan nog ophoping.

Ik bracht haar tot vlak voor de plaats waar de weg naar de hemel de stenen raakte, onmerkbaar had ik de haren wat losser gemaakt om mijn vuist en toen, op het juiste moment, gleed mijn hand er tussen uit, keerde ik mij om en dook weg in de menigte.

Toen ik mijn hoofd weer ophief om te kijken was ze al een eind in de hoogte. Ongehinderd liep zij, zweefde zij, één keer wendde ze tersluiks haar gezicht naar mij om en al haar liefde en dankbaarheid was in die ene halve seconde samengevat. Ik bleef haar nakijken tot ze niet meer als iets afzonderlijks zichtbaar was.

 

De onderneming was gelukt. Met een gevoel van de diepste voldaanheid zette ik me weer op de stoep van 't stadhuis, moe van de spanningen en van het lichaamswerk. Ik had geen lust meer om nog iets anders te beginnen, ik was blij over wat ik gedaan had en tevreden met mezelf en zat mij een tijdlang te wiegen in mijn eigen sympathie en in het goedkeurend geritsel van de hoge kastanjes.

Dit werd afgebroken door het gevoel, dat de jongste dag ten einde liep. De aanvoer van Rijssenaren werd steeds minder, steeds meer engelen en duivels vlogen van de aarde weg. Ik moest langzamerhand op mijn eigen veiligheid bedacht zijn, het was niet raadzaam om daar alleen te blijven zitten. Wel moest natuurlijk één duivel de laatste zijn, maar die uitzonderingspositie wenste ik toch liever in 't verborgene in te nemen. Ik wachtte nog even af, maar toen ik voorbereidselen zag om de ingang naar de hel weer toe te maken en een aantal engelen al vliegende, de loper naar de hemel begonnen op te rollen leek het mij tijd om uit te knijpen. Ongemerkt slipte ik het nauwe gangetje in tussen de openbare school en het oude huis van de Plesse, liep hier door naar de speelplaats en ging zitten op een van de lange rij privaten, die daar sinds mijn heugenis ten behoeve van de schoolkinderen stonden opgesteld. Hier zou ik niet opvallen. Ik deed de deur op het haakje.

 

Het werd hoe langer hoe stiller op aarde, een enkele roep nog, het suizen van een vleugel boven mij in de lucht.

Nu het gevaar geweken scheen begon ik mij voor het eerst te bekommeren om de toestand waarin ik nu eigenlijk was verplaatst. Wat had ik nu met al mijn slimmigheden bereikt!

Ik zou dus alleen achterblijven op een onbewoonde aarde, zoals vroeger een muitend zeeofficier met een kistje leeftocht op een onbewoonde kust werd afgezet. Ik was onsterfelijk, ik zou de aarde gaan beschouwen als mijn woning, als een woonschuit waarop ik eeuw in eeuw uit het heelal doorkliefde. Maar zou de aarde wel blijven bestaan? Zou niet straks, misschien wel aanstonds de aarde met al wat erop is verzinken, ineenstorten, verbranden, oplossen, verdampen? En wat zou er dan van mij worden? Zou ik voort blijven zweven in 't luchtledig als een zelfstandig hemellichaam, een menselijke meteoorsteen? Zweven zonder zwaarte, als in een badkuip. Maar altijd eenzaam, geen dier, geen ding. Was het dan nog niet beter in de hel waar tenminste gezelschap was, gezamenlijk lijden?

Ik kreeg het steeds benauwder op dat privaat, ik moest naar buiten, in de frisse lucht.

Rijssen was ontvolkt, nergens meer iemand.

Musjes pikten in de straat, de dierenwereld was intact. Van bovenaardse dingen was niets meer te zien, er stond een gewone avondlucht. Niets wees er op, dat er nog meer met de aarde zou gebeuren.

Zou alles nu weer openstaan voor een nieuwe schepping, voor een nieuw mensengeslacht, een nieuw geslacht van primaten in elk geval, om 't even waaruit voortgekomen? Het had mij toch al vaak verwonderd waarom wij mensen de cultuurdragers waren geworden en waarom niet veel eerder een bepaald soort insekten voor wie door hun kleinheid de indrukken van deze wereld zoveel machtiger moesten zijn dan voor ons.

En zou ik dan in die nieuwe geschiedenis blijven rondwandelen, een overblijfsel uit onbekend verleden? Een wandelende jood? Of, wat was ik eigenlijk, agnosticus? Een wandelende agnosticus? Nee, vandaag niet meer. Zeg het gerust: christen. Als de wandelende christ?

Met zulke gedachten slenterde ik door de Grote Straat. Zo vertrouwd en toch zo vreemd nu. Kijk, daar stond mijn huis. Mijn Huis? Alle huizen waren nu van mij. Ik zou elk huis kunnen binnengaan en van onder tot boven doorsnuffelen, ja, ik zou naar de Europese hoofdsteden kunnen fietsen en in de regeringsbureaus de geheimste akten en documenten gaan lezen. Maar voor wie? Waartoe? Onthullingen hadden geen zin meer, iedereen had nu toch zijn vonnis te pakken.

Alles op aarde was nu van mij, het Rijksmuseum, het Louvre, de Normandie, de Cullinan, de piramiden van Egypte. Ik was koning, keizer, ik was alleenheerser. Nooit was mij de ijdelheid van het bezit van aardse dingen zo duidelijk geweest als nu, nu ik ze allemaal had.

Wat had voor mij eigenlijk nog zin? Eten en slapen hoefde ik niet meer. Mij inspannen om iets te verwerven? Alles lag voor de grijp. Genieten van de natuur, van boeken? Steeds maar genot opzamelen zonder ooit weer iets daarvan te kunnen mededelen, zou dat nog wel genot zijn?

De mij bedreigende neerslachtigheid werd opgehouden door een gedachte, die mij tenminste iets te doen gaf. In het Volkspark was een grote volière met fraai gevogelte, goudfazanten, Lady Amhurst-fazanten, poelepetaten. Die moesten verzorgd worden of losgelaten. Een uitgebreid arbeidsveld opende zich plotseling de eerste dagen: niets anders doen dan vinken en kanariepieten bevrijden, eerst Rijssen, dan Enter, Wierden, Holten. Het mocht niet zijn.

Op weg naar 't Volkspark, bij de laatste huizen van 't Hangerad, hoorde ik tot mijn grote verrassing geweeklaag. Voorzichtig sloop ik nader, het waren engelen. Drie zaten, schijnbaar dodelijk vermoeid, op een boerenwagen uit te rusten, twee andere kwamen juist uit een huis dat ze doorzocht schenen te hebben. ‘Weer niets?’ vroeg een van de drie. Een troosteloos gebaar was het enige antwoord. Ik kreeg sterk de indruk dat zij bezig waren de huizen systematisch af te zoeken en besloot er argeloos langs te wandelen, van engelen had ik geen enkel kwaad te duchten.

Zodra ze mij in 't oog kregen begonnen ze hevig met elkaar te confereren. Enkele heftige uitroepen kon ik verstaan. Doe 't niet! 't Mag niet! 'k Doe 't toch!

Opeens maakte de oudste zich van het troepje los, kwam regelrecht op mij af en vroeg beleefd: ‘Mag ik U eens vragen, hebt U hier misschien ook nog ergens een mens ontmoet?’

‘Nee, ik weet niet beter of alles is weg, ik heb niemand meer gezien’, zei ik. Die woorden schenen de engelen met wanhoop te vervullen, een paar hieven haar gezicht smekend naar de hemel op, de anderen zaten stil te snikken, het schokken van heur schouders was heel zichtbaar door het meeschokken van de grote witte vleugels.

De smart van deze lieflijke wezens ontroerde mij diep, heur benauwenis moest wel groot zijn dat een van haar zich vernederd had mij aan te spreken, iets wat ik de hele dag nog geen enkele keer had gezien.

Ik ging naar ze toe en zei zo onduivels mogelijk:

‘Kan ik misschien helpen, zoekt U soms iemand?’

Met een door tranen verstikte stem riep nu de oudste uit:

‘Wij zoeken Belcampo, wij hadden speciale opdracht!’

Dat was meer dan ik ooit had durven dromen. Met een: Daarissie-dan! rukte ik mijn masker af en bevond mij op het zelfde ogenblik door vijf jubelende engelen omringd.

En bij de heldere tonen van een vijfstemmig koraal werd ik in de zachtste, blankste armen met rustige vleugelslagen opwaarts gevoerd.

- --oOo-- -
 Belcampo Het grote gebeuren